Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ren van liet kuiegewricht kan zien, die allengs dunner en smaller worden, tot dat er van lien schier niets anders overblijft, dan de vliezige plooijen, waardoor zij waren ingesloten. Even zoo gaat liet met de kraakbeenovertreksels der gewrichtsvlakten ; zij verdwijnen allengs en de laatste worden daardoor ontbloot, maar deze zijn onbeschadigd, tot dat de vertering zich ook op haar uitstrekt en daardoor de voor caries gehoudene ruwheid derzelve wordt te weeg gebragt. De kraakbeen- en beenplaatsen, die verteerd zijn , vindt men met eene weeke, sponsachtige, op het gevoel fluweelachtige zelfstandigheid , het veranderde synoviaalvlies, overdekt; waar dit overtreksel ontbreekt, daar is het kraakbeen niet opgeslurpt, slechts treft men in een door diu ziekteproces aangetast gewricht vaak hier en daar eene andere verandering van het kraakbeen aan, dan dit versmelten , namelijk eene loslating van het been, en dan vindt men het laatste op de bedoelde plaats met eene zeer dunne laag van die fluweelachtige zelfstandigheid bedekt.

Dit is de korte schets van een zeker proces, zoo als het zich uit eene reeks van ontleedkundige onderzoekingen van zieke gewrichten aan mij heeft voorgedaan, voor zoo verre hetzelve voor ons onderwerp in aanmerking komt, en ten opzigte waarvan ik nog slechts wil vermelden, dat, zoo als ook reeds boven is gezegd, juist daar vaak in den omtrek van het gewricht de vroeger besprokene afzetting van beenstof voorkomt, waarvan Syme reeds te regt heeft aangemerkt, dat zij geen' invloed op de meerdere uitbreiding hebben mag, welke men aan eene resectie geven moet.

Nogmaals wil ik het gewigtigste van hetgeen ik boven met betrekking tot ons onderwerp heb gezegd opsommen, en zulks komt in het kort hierop neder: dat in de meeste gevallen

Sluiten