Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Den eersten tijd na de kunstbewerking gmg alles naar wensch; de beide verticale wonden hadden zich geheel vereenigd, de dwarse wel is waar slechts gedeeltelijk, (het middelste gedeelte was in ettering overgegaan, die zich tot in de mondholte uitstrekte) doch de etter en de vleeschheuveltjes waren goedaardig en de iikteekenvorming greep van de uiteinden plaats. De lijder kon het overgebleven gedeelte der onderkaak tamelijk vrij bewegen en zijn algemeene toestand was goed, en had ook door de kunstbewerking zoo weinig geleden, dat er schier geen geneesmiddel noodzakelijk was. Drie weken na de operatie had de wond zich, tot op een kanaal ter plaatse van de vroegere verettering, gesloten, toen de lijder over pijnen in de kaak begon te klagen. Deze verdwenen wel na de verwijdering van een necrotisch beenstukje, dat zich aan de voorste afgezaagde vlakte bevond, maar zij keerden reeds na eenige dagen terug, werden brandend, stekend, breidden zich, niettegenstaande alle daartegen aangewende middelen, over een' grooteren omvang uit, zelfs tot iii de keel en waren den lijder vooral des nachts zeer hinderlijk. Zij waren het teeken van de terugkeerende ontaarding, die zich ook spoedig als eene harde zwelling in den omtrek der nog niet genezen pijpzweer in den bodem der mondholte vertoonde, zich snel in de breedte en diepte uitbreidde en niet slechts de omvorming van den fistelgang in eene ulceratie, maar ook eene snelle uitbreiding van deze laatste ten gevolge had. Het onstuimig beloop, hetwelk de wederinstorting maakte, en de voortplanting in de rigting van den hals en de keel, verboden eene tweede exstirpatie. Nu wendde ik tegen het gebrek eene reeks van uit- en inwendige middelen aan, te dien tijde nog steunende op de

Sluiten