Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wenkbraauw, die behouden werd en omtrent welker gesteldheid na de kunstbewerking niets vermeld is, eenen dakvorm (A) verkregen heeft, zoodat zij zich met beide uiteinden tot op het nieuwe ooglid uitstrekte ? Buitendien is de handelwijze van JascaE in allen gevalle veel meer verwondend dan die van Dieffenbach.

Voor ons doel zijn de kunstbewerkingen van vqn Amhon van gewigt; het zijn twee gedeeltelijke en eene geheele ooglidvorming; eene vierde (*), die wegens ectropium aan het bovenste lid werd verrigt, voerde door bijzondere omstandigheden tot geen resultaat, maar had eene instorting ten gevolge en kan daarom hier overgeslagen worden. In het eene geval (**) kon van het onderste kankerachtige ooglid een gedeelte, het inwendige, doch overigens geen tarsaalrand noch bindvlies behouden worden; de vereeniging van het overblijvende gedeelte des ooglids met den verlangenden lap had door vleeschheuvelvorming plaats, en in dien tusschentijd trok de lap zich zamen en naar buiten, zoodat het behouden gebleven gedeelte van liet ooglid tot aan den buitenooghoek werd uitgerekt en de ooglidspleet vormde. Het gevolg was zeer bevredigend, tot dat er na 2 maanden eene instorting van den kanker ontstond; hier echter was het ooglid niet zoozeer door een overgeplant huidstuk, als wel door zich zelf vervangen, en dit geval heeft overeenkomst met dat, waarbij , na exstirpatie van kankergezwellen, volstrekt geene plastische kunstbewerking gedaan, maar het defect door likteekenvorming zoodanig

o ö

(*) Vorr Ammon und Badmgartem, die plastische Chirurgie Bcrlin 1842. p. 21G. '

(**) V. Waltheh und v. AmmoVs Journal f Chirurgie, I. 2. p. 305.

Sluiten