Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dit vermoeden word ik niet slechts gebragt door de bovenstaande waarnemingen, maar ook door andere; zoo lijdt het volgens mijne ondervinding geen twijfel, dat na de doorsnijding van likteekenstrengen, die in de mondholte tusschen de kaak en de wang bestaan , — in weerwil dat deze wonden niet met slijmvlies bekleed worden , maar door verettering genezen — de zich daar ter plaatse vormende likteelcens niet slechts vrijblijven van zamentrekking, maar zich later zelfs nog zeer kunnen uitrekken; iets dergelijks neemt men ook waar na de doorsnijding van vernaauwingen der pisbuis (waarvan in een volgend hoofdstuk sprake zal zijn). Dit zal altijd als een, niet slechts van de zitplaats des likteekens, maar ook van andere omstandigheden afhankelijk verschijnsel te beschouwen zijn.

Hoe het nu daarmede ook moge gelegen zijn, zoo is het ontstaan der hier bedoelde zamentrekking van het nieuwe ooglid een verwijt, dat niet de methode van Dieftenbach alleen treft, maar iedere andere evenzeer, en wanneer in sommige gevallen na dezelve de veranderingen in eenen zeer geringen graad of wel in het geheel niet gevolgd zijn, zoo verdient zij daarom geen' bij zonderen lof, dewijl dezelfde gunstige resultaten ook na andere methoden zijn waargenomen. Dieffenbach zelf heeft het ontstaan van die verandering in vorm zeer goed vooruitgezien en daarom reeds den raad gegeven, om zoowel van den tarsaalrand, als van het bindvlies van een defect ooglid zooveel mogelijk te behouden ter aanwending bij hetgeen nieuw gevormd moet worden. Desniettemin moet men dit echter bij zijne methode tegenover zijne aanhangers en onbepaalde lofredenaars vermelden, dewijl deze de methode zoo voorstellen, alsof dezelve het onmogelijke mogelijk

Sluiten