Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van moeijelijke gevallen van zamengetrokken likteekens en daardoor beproeven, om de bedoelde kunstbewerking bevorderlijk te zijn.

LIKTEEKENVERPLAATSING.

Likteekens, die de beweging eens deels belemmeren, kunnen daardoor onschadelijk gemaakt worden, dat men ze tot aan een hunner uiteinden, d. i. tot op eene in verbinding blijvende basis van de omgevende huid en de ondergelegene deelen losmaakt, bij de thans vrij gewordene beweging van het deel laat terugtrekken en de daarop ontstane opene wond sluit, om ze zonder verettering te genezen. Het likteeken zelf blijft dus bestaan; het wordt slechts zoodanig verplaatst, dat het de beweging niet meer storen kan en men draagt zorg, dat zich op zijne vroegere plaats geen nieuw hinderlijk likteeken vorme. Kan men zulke likteekens geheel wegnemen en daarna de wond sluiten, zoo is dit, althans aan deelen, die slechts gedragen worden, b. v. aan den hals, ongetwijfeld beter, in zooverre tevens de door het likteeken te weeg gebragte misvorming wordt weggenomen. De likteekens zijn daartoe echter dikwerf veel te groot; men moet ze behouden, om door hen zelf een gedeelte der ruimte te bedekken, die zij vroeger innamen, en door de opheffing van de stoornis der verrigting is reeds- buitengewoon veel gewonnen, ja zelfs kan dit alléén het doel der kunstbewerking zijn, b. v. aan de groote gewrichten der ledematen, waar de wanvormigheid van het likteeken meestal niet in aanmerking komt. Het wezen der hier bedoelde kunstbewerking bestaat alzoo in het verplaatsen van het likteeken. Met deze,

Sluiten