Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

orgaan was. Hierop volgden talrijke onderzoekingen ter beantwoording van de vraag hoe deze verschillende functies over de te onderscheiden deelen van het labyrinth waren verdeeld. Breuer, Mach, Crtjm Brown, Högyes, Ewald, Barany, Kreidl, Wittmaack, Ktjbo en anderen hebben getracht dit vraagstuk op te lossen. Ewald, die het eerst den invloed van de labyrinthen op den tonus der dwarsgestreepte spieren op den voorgrond stelde, schreef dezen invloed toe aan de booggangen. Zijn leerling Ach meende echter reeds, dat voor een deel van deze functie de otolithen verantwoordelijk gesteld moesten worden. Ook Magnus en de Kleyn stellen otolithenprikkels aansprakelijk voor de tonische labyrinthreflexen op de dwarsgestreepte spieren, maar niet alleen voor deze reflexen, maar voor alle reflexen, die opgewekt worden door een bepaalden stand van de labyrinthen (dus voor alle reflexen van groep A).

Zij zochten naar meerdere aanknoopingspunten voor deze stelling en gingen na of de ligging der verschillende macula-vlakken bij die kopstanden, waarbij deze reflexen minimaal en maximaal waren, nadere aanwijzingen gaf. Dit was mogelijk voor het konijn, daar bij dit dier de ligging der otolithen door de anatomische onderzoekingen van de Bttrlet, Koster, Oort en de Haas zeer nauwkeurig bekend is.

Bij zoogdieren vindt men in het labyrinth twee otolithen: den utriculus en den sacculus. De utriculusmacula wordt geinnerveerd door den ramus utricularis; het grootste deel van de sacculusmacula door den ramus saccularis. Dit deel noemt de Bttrlet het sacculushoofdstuk (Sacculushauptstück). Een deel van den sacculus heeft echter een andere innervatie, namelijk door een zijtak van den ramus utricularis (Yoit, Oort e. a.). Dit deel noemt de Burlet het dorsale sacculuskwabje (Sacculusdorsallappen).

Voor de tonische labyrinthreflexen op extremiteiten- en halsspieren hadden Magnus en de Kleyn gevonden, dat deze

maximaal waren bij den kopstand: schedeldak onder, onderkaak boven,

mondspleet een hoek van 45° boven het horizontale vlak.

minimaal bij den kopstand: schedeldak boven, onderkaak onder,

mondspleet een hoek van 45ó onder het horizontale vlak.

Bij deze kopstanden vielen de utriculusotolithen direct op door hun horizontale plaatsing. In den maximumstand hangen de otolithen aan de horizontale maculae, in den minimumstand rusten zij er op, drukken er op. Dit pleitte reeds sterk voor een verantwoordelijk zijn der utriculusotolithen voor deze reflexen. Maar ook nog iets anders wees daarop, namelijk het liggen van de beide utriculusotolithen in één vlak. Dit stemde geheel overeen met de waarneming, gedaan na éénzijdige labyrinthextirpaties, dat elk der twee labyrinthen, wat de tonische labyrinthreflexen betreft, denzelfden minimum en maximumstand had, namelijk denzelfden als beide labyrinthen te zamen.

Sluiten