Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gedeeltelijk zag wederkeeren. Ook vermeldt hij, dat hij ééns na een totale zjjkwabextirpatie met verwijdering- van den nucleus Deiters zag, toen het dier zich geheel van de narcose hersteld had, dat de tonus gelijkzijdig hooger was, dan aan de andere zijde. Bedenken we verder, dat na partieele cerebellumextirpaties abnormale kopstanden optreden, waarvan Thiele den invloed op den spiertonus nog niet kende en dat ook de laesies van den nucleus Deiters niet nauwkeurig microscopisch zijn gecontroleerd, dan volgt hieruit, dat, hoe schitterend ook het onderzoek van Tiiiele was, zooals we vooral ook nog op de volgende bladzijden zullen zien, de rol van den nucleus Deiters bij de decerebratiestijfheid nog niet bewezen is.

In 1914 deelde Weed (209) de resultaten van zijn onderzoekingen mede. Ook h;j zag, dat cerebellumextirpatie bijna steeds een bestaande stijfheid deed verdwijnen, echter zag hij haar eens bij een kat na dezen ingreep meer dan een uur onveranderd voortbestaan. En bij een andere kat, waarvan het cerebellum weken te voren geëxtirpeerd was, gaf decerebratie een maximaal sterken extensortonus, zoowel van de spieren der extremiteiten, als van nek, rug en staart. Deze stijfheid was nog, hoewel zwakker, na 2^2 uur aanwezig, terwijl het dier den ingreep slechts 4 uur overleefde. Niettegenstaande deze beide waarnemingen nam Weed toch aan, dat een belangrijk deel van den reflexboog over het cerebellum gaat. Volgens hem stijgen de proprioceptieve prikkels in het ruggemerg langs den tractus van frowers op en gaan dan, gedeeltelijk direct, gedeeltelijk indirect via cerebellum en bracchii conjunctivi, naar de roode kern, welke naar zijn meening het stijfheidscentrum is. Hij neemt een gaan der prikkels langs den tractus van Gowers aan, omdat hij na doorsnijding der onderste cerebellumarmen geen verandering der stijfheid zag, wel daarentegen, in tegenstelling met Thiele, na klieving der bracchii conjunctivi, der voorste cerebellumarmen. Weed bedeelt het cerebellum ook nog met een tweede rol. Decerebratiestijfheid ontstaat volgens hem door het wegvallen van een remmenden invloed van den cortex cerebri op den nucleus ruber via capsula interna, nuclei pontis, bracchium pontis en cerebellum. Hij meent dit te mogen aannemen op grond van zijn waarnemingen bij electrische prikkelingsproeven, niettegenstaande in 1892 Goltz toch al reeds aangetoond had, dat groote-hersenlooze honden absoluut geen stijfheid vertoonen. (Zelfs in 1923! meenen Warnak en Ohmsted (208) alle cerebrumlooze honden en katten ten spijt deze waarnemingen van Weed door nieuwe prikkelingsproeven niet alleen te moeten bevestigen, maar ook den oorsprong van dezen invloed nader te moeten localiseeren, namelijk in den lobus frontalis. Extirpatie van dezen lobus geeft volgens hen bij katten de decerebratiestijfheid).

In 1914 toonden Magnus en Beritoff (10) afdoende aan, dat na decerebratie achter de corpora quadrigemina posteriora gevolgd door cerebellumextirpatie de stijfheid niet alleen geheel eender kan optreden, maar zelfs 8 uren lang kan blijven bestaan. Bij een van deze proeven was, zooals later bij het microscopisch onderzoek door Winkler bleek, tevens eenzijdig de

Sluiten