Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Sherrington en ook Graham Brown gaven een geheel andere rol aan den nucleus ruber hij de stijfheid. Zij dachten namelijk, dat de roode kern het centrum van de „plasticity", de bron van den plastischen tonus was. Sherrington vond, dat als men bij een ruggemergsdier een afferente, sensibile zenuw prikkelt, een reflectorische, snel voorbijgaande spiercontractie, een snelle beweging optreedt. Zijn echter ook medulla, pons en mesencephalon niet corpora quadrigemina intact, dan geeft dezelfde prikkeling reflectorische spiercontracties, welke minuten lang aanhouden; er ontstaat een tonus, een „posture". Sneed Sherrington echter alle uit de spier komende afferente zenuwvezels door, dan gaf de prikkeling slechts weer voorbijgaande contracties. Hij nam daarom aan, dat van uit de spier zelf prikkels, proprioceptieve prikkels, gingen langs de afferente zenuwen naar centra in het centrale zenuwstelsel en dat daardoor de spieren de eigenschap van „plasticity" kregen, dat wil zeggen, het vermogen om elke haar gegeven lengte te behouden. De samenwerking van deze spierreflexen zouden de houding deiledematen tot stand brengen. De centra hiervoor moeten liggen tusschen de niveaus van den onderrand van den pons en den bovenrand (oralen rand) van het mesencephalon. Daarom denkt Sherrington aan den daar liggenden nucleus ruber als centrum voor deze „posture-reflexes

Ook Graham Brown's meening (50—53) berust op electrische prikkelingsproeven. Hij vond, dat, als hij bij apen een dwarse doorsnede door den hersenstam vlak voor de corpora quadrigemina anteriora maakte en dan de sneevlakte juist daar prikkelde, waar onder het oppervlak de roode kern ligt, een extensie van den eontralateralen arm optrad, welke ook nog aanhield na ophouden der prikkeling („extensorafterdischarge"), dus een plastische extensie. In den gelijkzijdigen arm trad daarbij tegelijkertijd een plastische flexie op. Kliefde hij het mesencephalon in de mediaan lijn, dan trad alleen een gelijkzijdige reactie op, welke nu echter niet een plastische flexie, maar een tonische extensie gaf. De contralaterale reactie verklaart Graham Brown door het gaan van prikkels van uit de geprikkelde roode kern door de kruising naar de andere zijde, de gelijkzijdige flexie door het gaan van prikkels langs ongekruiste banen en de gelijkzijdige extensie na mediane klieving door prikkeling van de vezels uit de andere roode kern na haatdoorgang door de kruising van Forel.

Graham Brown zag, dat deze verschijnselen ook nog optraden na cerebellumextirpatie (het eerste half uur) en ook bij prikkeling van de area van den dwars doorsneden fasciculus longitudinalis postei'ior.

Niettegenstaande Sherrington gevonden had, dat de ontherseningsstijfheid pas verdwijnt na dwarse doorsnijding door den calamus scriptorius en ook Thiele als ondergrens sneden door het corpus trapezoides vond, nam Weed toch aan, dat de roode kern het hoofdcentrum van de decerebratiestijfheid was, omdat hij bij zijn proeven de stijfheid steeds binnen vijf minuten verdwijnen zag na dwarse doorsnijding caudaal van de corpora quadrigemina posteriora. Ook dit meenden Warnar en Ohmsted in 1923 te moeten bevestigen.

Sluiten