Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK VI.

HET HERSENNIVEAU VAN HET CENTRUM DER HALSOPRICHTREFLEXEN.

De lialsoprichtreflexen komen, voor een deel althans, tot stand onder invloed van prikkels uit de diepere halsdeelen. Deze prikkels trachten het lichaam steeds denzelfden stand te geven als den kop. Heeft de kop den normalen stand aangenomen, dan trachten ze het lichaam op te richten; is de kop in zijligging overgegaan, dan pogen ze het lichaam ook in deze ligging te brengen.

Richt een kat of konijn zich op, dan gaat eerst de kop, dan het voorlichaam en tenslotte het achterlichaam overeind. Dit heeft geheel eender plaats bij goed geopereerde thalamuskatten en thalamuskonijncn.

De verschillende phasen van de lialsoprichtreflexen ziet men goed bij dieren, welke uit narcose ontwaken. Men ziet deze eerst pogingen doen om den kop op te richten. Zijn ze hierin na meerdere mislukkingen geslaagd, dan kunnen ze nagenoeg tegelijkertijd ook het voorlichaam overeind zetten. Dan volgen pogingen het achterlichaam op te heffen, wat steeds meer en meer en ten slotte geheel gelukt. Hierbij is heel typisch het voortschrijden van de reflexwerking zichtbaar, het achtereenvolgens rechtzetten van de verschillende lichaamsdeelen vanaf den kop. Het is dus een kettingreflex.

Het is niet noodzakelijk, ja het is zelfs onwaarschijnlijk, dat dit geheele reflexmechanisme van uit één centrum geregeld wordt. Het is zeer goed mogelijk, dat de verschillende onderdeelen over steeds meer caudaal liggende centra tot stand komen door prikkels van uit de meer oraal gelegen deelen. Men kan in dezen oprichtreflex eenigszins twee gedeelten onderscheiden :

le. de lialsoprichtreflexen op het voorlichaam,

2<\ de oprichtreflexen op het achterlichaam.

Na een hersenoperatie, welke dezen oprichtreflex verzwakt heeft, ziet men vaak het eerste gedeelte afzonderlijk. De reflex kan dan niet den invloed van de zwaartekracht op het achterlichaam overwinnen. Dat de reflex op het achterlichaam echter dan toch aanwezig is, kan men meestal aantoonen door het dier in rugligging te brengen en dan den kop te draaien. Men ziet dan, dat dit laatste duidelijke bekkendraaiingen veroorzaakt.

Sluiten