Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dus: stijfheid +

labyrinthoprichtreflexen —

liehaamsoprichtreflexen op het lichaam liehaamsoprichtreflexen op den kop +

halsoprichtreflexen +

verder: alle oogreacties +

liftreaetie 1 sterk

sprongopvangreflex —

kopdraai-reacties en -nareacties -)tonische halsreflexen -f-

tonische labyrinthreflexen 5 uur 15: Is nu bij alle liggingen maximaal stijf en vertoont ook geen liehaamsoprichtreflexen op den kop meer. Ook is de kopdraaiing naar links bij hangen met den kop naar beneden minder.

6' uur: Toestand onveranderd, alleen zijn de oogreacties nu ook zwakker geworden. Het dier afgemaakt.

Konijn X vertoonde dus stijfheid, terwijl geen labyrinthoprichtreflexen noch liehaamsoprichtreflexen op het lichaam aantoonbaar waren.

Daarentegen wel liehaamsoprichtreflexen op den kop, vooral sterk van uit de rechter zijligging. [Of het sterker zijn van deze reflexen van uit deze laatste zijligging slechts alleen schijnbaar was en veroorzaakt werd door de kopdraaiing, of dat werkelijk de liehaamsoprichtreflexen op den kop bij deze zijligging sterker waren, is niet te zeggen. Wel bleek, dat druk op deze zelfde rechter zijde prikkels opwekte, welke den strekspiertonus deden veiminderen, zoowel den tonus van de strekspieren van den nek als van de voorpooten. Helaas werd niet nagegaan of dit minder stijf worden der voor pooten een gevolg was van het minder worden der nekretractie. In linkei zijligging toch was deze retractie sterk. Het is mogelijk, dat de kop bij liggen van het dier in rechter zijligging meer ventraalwaarts lag en dat dit ook het geval was bij druk met een plank op het in linker zij ligging verkeerende dier. Met zekerheid bestond dus alleen een directe invloed van druk op de rechter zijde op den tonus der halsstrekkers.]

Microscopisch onderzoek: In coupe 105 (plaat 12) zijn voor het eerst duidelijk cellen van de kleineellige roode kernen te herkennen.

In de coupes 114 en 115 (plaat 13) is een duidelijk steekkanaal te zien, beginnend tusschen de corpora quadrigemina anteriora en juist in de mediaanlijn liggend, om 111 het dorsale gedeelte van de substantia grisea eentralis te eindigen. Deze coupe gaat door het voorste gedeelte der corpora quadrigemina anteriora, door de corpora geniculata medialia, door de kleineellige roode kernen en ventraal aan de eene zijde door den oorsprong van den nervus oeulomotorius, aan de andere zijde door den pedunculus oorporis mammillaris.

In coupe 122 (plaat 14), welke ook nog voor de oculomotoriuskernen en aan de eene zijde door den overgang van den oculomotoriuswortel in de zenuw gaat, ziet men, evenals op bijgaande microphotographie, het steekkanaal juist in de mediaanlijn gaan door de substantia grisea centralis, tusschen de beide fasciculi longitudinales posteriores, tusschen de beide nog grootendeels kleineellige roode kernen, door de decussatio Forel, om tusschen de oculomotoriuswortels van beide zijden nagenoeg den ventralen rand der coupe te bereiken.

Sluiten