Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lateralen Abschnitten des Nucleus ruber sind einige kleine helle Stellen, offenbar die atrophischen Teile seines neencephalen Abschnittes).

Het tweede geval, beschreven door A. Jakob (41) is een kind, dat 10 maanden oud werd en direct na de geboorte (door versie en extractie; gevolgd door asphyxie) geruimen tijd heftige koorts met krampen vertoonde. Na het ophouden der koorts bleef het kind steeds apathisch en stijf.

De groote hersenen waren bij dit kind papierdun (uitgezonderd deelen van de occipitaalen temporaalkwabben) ; de nucleus caudatus en het putamen ontbraken beiderzijds nagenoeg evenals het orale gedeelte der thalami optici. De nucl. med. ant., de nucl. lat. ant., de nucl. lat. post. en het pulvinar thalami waren verder beiderzijds atrophisch, evenals de corpora quadrigemina, welke platgedrukt waren. De corpora geniculata med. waren niet aanwezig, terwijl de substantia nigra wat atrophisch en de roode kernen kleiner dan normaal waren en secundaire ontaardingen vertoonden. De hypertonie kan dus ook in deze gevallen niet aan een uitsluitend uitgevallen zijn der cortico-spinale pyramidenbanen geweten worden.

Ook kunnen deze gevallen niet met de groote-hersenlooze honden, zooals A. Jakob doet, vergeleken worden en wel niet, omdat:

I. de oorzaak hier een ziekte was en de hersenstam slechts met de Weigert-Pal'sche methode werd onderzocht, zoodat de invloed dezer ziekte op de cellen niet is nagegaan;

II. niet uitgesloten is, dat in deze gevallen een verhoogde intracranieele druk bestond;

III. behalve de groote hersenen groote gedeelten der corpora striata en der thalami optici ontbraken en de roode kernen evenals het overige mesencephalon niet normaal waren;

IV. de vernietiging der groote hersenen plaats greep op een tijdstip dat het zenuwstelsel nog niet geheel ontwikkeld was, terwijl de extirpatie der groote hersenen steeds bij volwassen honden was geschied. En ten slotte bereikte het kind, door Jakob beschreven, slechts een leeftijd van 10 maanden, een leeftijd dus, waarop normale kinderen ook niet goed staan en loopen kunnen, noch zich los staande kunnen houden en nog veel minder achterlijke kinderen.

Bij beschouwing van de gronden, waarop men aandoeningen van het corpus striatum verantwoordelijk stelt voor spastische verschijnselen, blijkt, dat ook aan deze opvatting de dierexperimenten geen steun verleenen. We zagen reeds, dat thalamuskatten en -konijnen, waarbij het cerebrum met corpora striata verwijderd is, geheel normaal zitten, staan en loopen, alles met een geheel normale spiertonusverhouding. Maar ook bij honden geeft sterke beschadiging der corpora striata geen spastische verschijnselen. Bij den reeds besproken hond van Goi/rz bleek bij het hersenonderzoek door Gordon Holmes (47), dat het eene corpus striatum nagenoeg verwijderd was en het andere gelaedeerd, terwijl het microscopisch onderzoek nog nader aantoonde, dat alleen een nucleus caudatus intact was en de overige achtergebleven striatumdeelen geheel gedegenereerd waren. Bij den cerebrumloozen hond van Rothmann (171 en 172) waren macroscopisch geen overblijfselen van het corpus striatum te herkennen, terwijl bij dien van Dusser de Barenne (34), zooals het onderzoek van Brouwer aantoonde, links alleen de orale helft van den nucleus caudatus en een stuk beschadigd globus pallidus, rechts de caudale

') Uit de zoo juist verschenen publicatie van H. Rothman (173) blijkt, dat het microscopisch hersenonderzoek aantoonde, dat bij de extirpatie beiderzijds de globus pallidus en een groot deel van het putamen gespaard waren. In het gespaarde putamen waren echter secundaire degeneratieverschijnselen zichtbaar. De nucleus caudatus was aan beide zijden sterk beschadigd, onder anderen was het voorste derde gedeelte geheel afgesneden.

Sluiten