Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En evenzoo Oppenheim in den 5en druk van zijn leerboek (1908): „Jedenfalls geht aus den vorliegenden Erfahrungen hervor (waarnemingen van DéjéKWE en van Reichel) dass Erkrankungen des Linsenkerns und Nucleus caudatus ohne jede Ausfallserscheinung auf motorischem Gebiet verlaufen können.''

Den eersten stoot voor de opvatting, dat aandoeningen van het corpus striatum bij den mensch de oorzaak van spastische symptomen kunnen zijn, gaf Jelgersma (72) in 1908. Hij deelde namelijk op het congres te Keulen mede, dat hij bij paralysis agitans steeds een ati-ophie had gevonden van de vezelbundels om den nucleus lentiformis, namelijk van de ansa lenticularis, van de ansa peduneularis en van de Forel 'sche velden 11, en H2, verder nog atrophie van den nucleus lateralis thalami, van het corpus Luysii en van de vezels van de substantia reticularis, terwijl hij in de hersenen van patiënten met Huntington'sche chorea vaak sterke veranderingen in den kop van den nucleus caudatus had aangetroffen.

Reeds had in 1904 Manschot (140) in zijn bij Winkler bewerkte dissertatie de aandacht gevestigd op veranderingen in het corpus striatum in van paralysis agitans lijders afkomstige hersenen. Hij had namelijk een sterke perivasculaire gliose gevonden in de laterale thalamuskern en in het putamen gepaard met vezelverlies in den thalamus, den globus pallidus en de regio subthalamica. Terwijl Anton (3) reeds in 1896 macro- en microscopisch zichtbare veranderingen in het putamen gevonden had bij chorea.

Manschot en Winkler vonden dus putamenveranderingen bij een hypertonische, Anton bij een hypotonische aandoening.

Van alle kanten verschenen nu mededeelingen over microscopische onderzoekingen van hersenen afkomstig van lijders aan paralysis agitans, chorea en athetose, zoo o. a, van C. en O. Vogt, Lewy, Foerster, Jakob, Pollak, Ramsay Hunt, Pierke Makie, Foix, Lhermitte.

C. en O. Vogt (200 en 201), die een zeer groot aantal hersenen onderzochten, verdeelden de gevonden afwijkingen in acht vormen (met nog weer onderafdeelingen) waarvan elk, volgens hen, min of meer bij een bepaald ziektebeeld of symptomencomplex behoorde. Behalve dit zonderden ze twee groote symptoinencomplexen af, namelijk het striatum syndroom en het pallidum syndroom, waarvan het eerste op aandoeningen van putamen met nucleus caudatus zou berusten, het tweede op veranderingen in den globus pallidus.

De verschijnselen van hun striatum syndroom zijn:

1. striaire akinesen, waartoe zij rekenen stoornissen in de gezichtsmimiek, verdwijnen van de zoogenaamde „meebewegingen", van de afweerreflexen, van de extremiteiten- en rompbewegingen om bij dreigenden val het evenwicht te bewaren, enz. enz.;

2. incoördinaties, zoowel bij staan, loopen als praten;

3. substriaire hyperkinesen (dat wil zeggen hyperkinesen, welke ontstaan door het wegvallen van den invloed van nucleus caudatus en putamen

Sluiten