Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op den globus pallidus) zooals tremoren, choreatische en athetotische bewegingen, dwanglachen en -huilen;

4. Soms hypertonie.

Tot het striatumsyndroom behooren volgens hen de verschijnselen bij paralysis agitans, bij de verschillende vormen van chorea e. a. Is behalve aan beide zijden de nucleus caudatus en het putamen ook eenzijdig de globus pallidus aangedaan, dan blijft het symptomencomplex onveranderd. Is echter de globus pallidus eveneens beiderzijds aangedaan, dan is de patiënt absoluut stijf. Rigor is volgens hen hét pallidumsymptoom.

Ramsay Hunt (163) vond in de hersenen van een lijder aan juveniele paralysis agitans, welken hij talrijke jaren onder observatie had gehad en die de laatste jaren voor zijn dood geheel stijf was geweest, behalve wat perivasculairë veranderingen als het meest opvallende een algeheel verdwenen of gedegenereerd zijn van de groote multipolaire cellen van globus pallidus, putamen en nucleus caudatus, terwijl de kleine ganglioncellen van de beide laatsten geheel intact waren. Hij beschouwt daarom deze cellen als motorische cellen en noemt ze „the pallidal system". Juveniele paralysis agitans is volgens hem primaire atrophie van dit pallidale systeem.

Lewy (110) onderzocht de hersenen van meer dan vijftig gevallen van paralysis agitans. Ook hij vond bijna steeds een sterke afname en degeneratie van de groote cellen van putamen, globus pallidus en nucleus basalis. Eveneens van den nucleus caudatus, maar hierin veel minder. Tevens vertoondendeze kernen sterke veranderingen van de grondsubstantie. Maar behalve deze aandoeningen van het corpus striatum vond hij ook vaak afwijkingen in groote gedeelten der hersenschors (vooral in den lobus frontalis en in den lobus temporalis) in het tuber cinereum, corpus Luysii, nucleus periventricularis, nucleus pigmentosis deuterencephalicus (= substantia nigra -(- locus coeruleus -)vegetatieve oculomotorius-, trigeminus- en vaguskern) in de cerebellumschors en in den nucleus dentatus. Verder nog gliawoekeringen in de zij- en achterstrengen van het ruggemerg en celvermindering in de ganglia spinalia. Vele van deze degeneratieve veranderingen vond hij constant. Volgens Lewy beperkt het ziekteproces bij paralysis agitans zich dan ook niet tot het corpus striatum en hecht hij vooral waarde, ook wat den spiertonus betreft, aan de veranderingen in die kernen en hersengedeelten, welke hij als vegetatieve centra beschouwt. Wel zijn volgens hem de afwijkingen van het corpus striatum constant aanwezig en meent hij ook met Ramsay Hunt mee te kunnen gaan als deze liet verdwijnen der groote ganglioncellen verantwoordelijk stelt voor de stijfheid. Hij wijst er echter op, dat de sterkte deistijfheid lang niet altijd parallel gaat aan de veranderingen in den globus pallidus, ja, dat hij eens een geval van hypotone chorea zag, waarbij de globus pallidus sterk was aangedaan. Ook maakt hij er op attent, dat C. en O. Vogt in hun bestrijding van de opvattingen van Kleist zelf zeggen, dat by chorea de pallidum veranderingen meest sterker zijn dan bij atlietose.

Sluiten