Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(In met Weygert gekleurde coupes was te zien, dat de pyraniidenbanen beiderzijds geheel intact waren. I it de roode kern gingen gedegenereerde vezels in het bracchium conjunctivum cerebelli, in den gelijkzijdigen fascieulus longitudinalis posterior en in een bundel, welke caudaalwaarts langs den dorsalen rand van den nucleus olivarus liep.)

De groote hersenen en de meningen vertoonden geen afwijkingen.

Het ziekteverslag hierbij luidde aldus: Een man, ge- APB. 192.

boren in 1851, krijgt op twee-jarigen leeftijd stuipen en

m aansluiting daaraan een lmkszijdige hemiplegie. In 1878 heeft hij een syphilitische sjanker. In 1887 wordt de patiënt door DéjéKlNï onderzocht en deze vond een sterk achtergebleven zijn in ontwikkeling van de geheele linker lichaamshelft zoowel van gezicht, romp als ledematen (zie afb. 192).

De elleboog, pols en vingers der linker zijde vertoonden voortdurende flexie- en extensiebewegingen en de schouder ab- en adduetiebewegingen. Ook waren spastische trekkingen zichtbaar van den nek, waardoor het hoofd telkens geneigd werd naar den linker schouder. Ook de linker helft van de tong was minder ontwikkeld, terwijl het verhemelte en de huig wat naar rechts afgeweken waren.

Het rechter oog stond naar buiten gedevieerd, de pupil was geheel stijf en de visus verminderd. Het linker oog was daarentegen geheel intact. Patiënt was verder rechts geheel doof en ook de smaak en reuk waren aan deze zijde slecht.

Sensibiliteitsstoornissen konden niet worden aangetoond.

De diagnose van DéjéRiNE luidde: cerebrale infantile hemiplegie.

In 1900 wordt de patiënt stervend de kliniek van Pierre Marie binnengebracht, heelemaal verliederlijkt (gateux), natuurlijk nog de contracturen vertoonend.

XIII. Infeld (69) deelt nog een ander geval mede, waarbij hij een konkrement in de linker roode kern vond. Ook in dit geval waren de hersenstelen met pyraniidenbanen geheel intact,

Deze kalksteen werd gevonden in de hersenen van een zeventig jaar ouden man, die, toen hij vijf jaar oud was, gevallen was, waarna hij ziek werd en zich een hemiplegie ontwikkelde, welke tot zijn dood toe bleef bestaan. De laatste 18 jaren was deze man steeds in een verzorgingshuis, waarvan Infeld de geneesheer was. Al die jaren vertoonde patiënt dezelfde svmntftmpn

een dubbelzijdige trochlearisverlamming, een totale oculomotoriusverlamming links een partieele oculomotoriusparese rechts en een rechUzijdige hemiplegie. De rechter extremiteiten vertoonden een spastische parese met hyperflexibele vingers. Zoowel de beenderen als de spieren der rechter extremiteiten waren in hun groei achtergebleven. Ook vertoonde de geheele rechter lichaamshelft ehoreiforme bexuegingen, welke het sterkst waren bij geïntendeerde bewegingen. De peesreflexen waren clonisch, geen Babinski-reflex, terwijl de buikwandreflexen ontbraken.

Naar: J. Dójckike in Traité de Pathologie Générale de

Ch. Bouchard.

Tome V, P. 510, Fig. 34.

Sluiten