Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In Hoofdstuk I werd er reeds op gewezen, hoe de achterpooten van het konijn bij de tonische halsreflexen door heffen en voorover buigen van den kop anders reageeren dan de achterpooten van de kat en den hond. Waarnemingen van Simons, Walshe e. a. wijzen er op, dat bij den mensch de armspieren bij overeenkomstige bewegingen van het hoofd ook waarschijnlijk afwijkend reageeren. Dit is echter nog niet voldoende onderzocht en men weet nog niet wat bij achterover strekken en voorover buigen van het hoofd de tonische labyrinthreflexen en wat de tonische halsreflexen elk afzonderlijk doen.

In verband hiermee zij er nog op gewezen, dat in twee van de hiervoor beschreven gevallen van menschelijke ontherseningsstijfheid de armen gestrekt gehouden werden en dat in meerdere van de gevallen van spastische hemiparese met gebogen gehouden arm een abnormale stand van het hoofd vermeld wordt.

Het was niet mogelijk in het voorafgaande hoofdstuk alle klinische literatuur over de roode kern te vermelden. Alleen zij hier nog een uitzondering voor twee kortelings verschenen publicaties gemaakt. In de eene, van von Sarbo (174), neemt deze auteur op grond van waarnemingen bij patiënten het bestaan van een rubrale ataxie naast de labyrinthaire ataxie aan. Hij gelooft, dat het Romberg'sche phenomeen als een rubrale evenwichtsstoornis opgevat moet worden en dat dit verschijnsel ontstaat door het wegvallen van diepe sensibiliteitsprikkels, welke langs de Goll'sche strengen en lemnisci mediales naar de roode kernen gaan. Hierbij moet echter opgemerkt worden, dat nog nooit met zekerheid een verbinding tusschen lemniscus medialis en roode kern, nog nooit een overgang van lemniscus medialis vezels in deze kern is aangetoond. Ondanks daartoe verrichte proeven is ook mij dit niet gelukt. Ook gaf doorsnijden (nog geen microscopische controle verricht) van de strengen van Goll en Burdach bij het konijn geen verdwijnen der labyrinthoprichtreflexen, noch der lichaamsoprichtreflexen op het lichaam. En ten slotte is het plaatsen der rubrale ataxie naast de labyrinthaire ataxie, zooals uit de vroeger beschreven proeven volgt, niet juist.

De tweede mededeeling is van Chiray, Foix en Nicolesco (28). Dezen beschrijven een vrouw, welke op 8-jarigen leeftijd tijdens een aanval van acuut gewrichtsrheumatisme plotseling een rechtszijdige hemiplegie kreeg, welke genas, maar waarna ze steeds een rechtszijdigen hemiiremor behield. De vrouw werd drie maal door hen onderzocht: de eerste maal in Mei 1921 toen ze voor asystolie, de tweede maal in Nov. 1921 toen ze eveneens voor asystolie en de derde maal in Jan. 1922 toen ze voor longontsteking in de kliniek werd opgenomen.

Alle drie de keeren werd bij het neurologisch onderzoek waargenomen een onhandigheid bij het uitvoeren van bewegingen met de rechter zijde van het lichaam en het bestaan van exophthalmus, wat vooral rechts duidelijk was.

De visus was rechts bijna 0 en links De pupillen reageerden niet op licht, wel op accomodatie. De rechter pupil vertoonde myosis en was onregelmatig van vorm; ook bestond rechts een retimtis albuminurica. Verder bestond een heftige, bilaterale en meest verticale nystagmus.

Oogbewegingen naar alle richtingen zijn met beide oogen mogelijk.

Het gezicht was symmetrisch.

De rechter hand kon door den tremor niet tegen den neus gebracht worden, noch een m de rechter hand gehouden glas aan den mond. De rechter arm vertoonde geen hypertonie of contracturen noch hypotonie, misschien was de tonus wel iets plastisch.

De patiënte slingerde bij loopen met het rechter been, maar waggelde niet. Geen positieve Eomberg, noch Babinski; alle peesreflexen zwak; de kniepeesreflexen zelfs beiderzij cis opgeheven.

Geen pvramidenbaanstoornissen, evenmin gevoelsstoornissen.

De spraak was af en toe scandeerend.

Patiënte vertoonde dus een lichte cerebellaire hemiplegie met lichte dysmetrie en a ia ococynese verder nystagmus, schrijf stoornissen en een intentietremor als bij multipele

SOL6TOS6.

Zij stierf 20 Maart 1922 door de longontsteking op 43-jarigen leeftijd.

Bij de obductie werd in frontale liersencoupes een handvormige haard waargenomen welke van de roode kern door den hypothalamus tot in den thalamus ging. Door dezen haard werd verwoest het proximale laterale deel der roode kern, het caudale deel van den nucleus mternus en het orale deel van den nucleus externus thalami en eveneens het pulvinar

, " fWaS h6t e®e Wchmm conjunctivum gedegenereerd tot aan den nucleus dentatus en de „faisceau central de la calotte" tot aan den nucleus olivarus

Sluiten