Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarnemingen geen zekere conclusies trekken. Ligt een dier in zijligging dan vertoonen de oogen behalve een verticale ook een geringe rotatoire deviatie. Deze rotatoire deviatie kan een schijnbaar verticale deviatie geven en deze schijnbaar verticale reactie is bij een oog, dat in den normalen opgericht gehonden kop reeds niet normaal staat, zonder een vooraf op de cornea gebrand kruis niet geheel uit te sluiten. Niettegenstaande deze overweging zij toch op de waarnemingen bij konijn X gewezen (hoofdstuk VII, bladzijde 143) dat na een steek, welke juist in de mediaanlijn tusschen de corpora quadrigemina, tusschen de beide oculomotoriuskernen, tusschen de trochleariskernen, tusschen de beide fasciculi longitudinales posteriores en de beide roode kernen ging, en welke door de Forel'sche kruising tot in het ganglion interpedunculare reikte, nog alle oogreacties vertoonde; en eveneens op konijn Mata Biroe (hoofdstuk \ II bladzijde 85), waarbij de corpora quadrigemina dorsaal van de oogspierkernen zoo goed als afgesneden waren, en waarbij eveneens alle oogreacties aanwezig waren.

De oogdraai-reacties.

Reeds werd vermeld, dat, zooals Mach (123) en Breuer (16 en 17) het eeist aannamen, de prikkels voor deze reacties uitgaan van de booggangen en dat deze reacties na extirpatie der labyrinthen niet meer op te wekken zij n. daarentegen wel, zooals Magnus en de Kleyn bij caviae zagen, als door centrifugeeren de otolithen afgeslingerd zijn.

Over deze reacties, vooral over den oogdraai-nystagmus en oogdraainanystagmus bestaat een niet meer te omvatten literatuur. Ook over het centrale mechanisme dezer reacties, dat echter niettegenstaande al deze publicaties en onderzoekingen nog verre van opgehelderd is. Bijna al deze onderzoekingen zijn verricht met behulp van het aanbrengen van asymmetrische hersenlaesies of met behulp van electrische prikkels. Heel veel meer dan op zich zelf staande, hoewel waarschijnlijk in de toekomst voor de physiologie belangrijke, feiten hebben deze onderzoekingen meestal niet opgeleverd.

Een uitzondering maakt echter het onderzoek van Högyes (64). Deze deelde in 1881 mede, dat hij oogdraai-reacties en -nareacties, oogdraainystagmus en -nanvstagmus onveranderd had zien optreden na extirpatie \ an de groote hersenen met thalami optici en eveneens na doorsnijding der medulla oblongata caudaal van de octavuskernen.

We hebben reeds gezien, dat Winkler op anatomische gronden het waarsc' 11ijti 1 ijk acht, dat alle draaireacties over den nucleus Deiters tot stand komen en dat de booggangimpulsen over dezen nucleus langs den in hoofdzaak ongekruisten tractus vestibulo-mesencephalicus naar alle gelijkzijdige oogspierkernen gaat, maar ook langs een krachtigen bundel, welke uit de kern van Deiters en uit de kern van de radix descendens ontspringt en welke eerst naar de gelijkzijdige abducenskern gaat en daarna in het opgaande en neergaande stelsel van de beide fasciculi longitudinales posteriores naar al de overige oogspierkernen.

Sluiten