Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

horizontaal gehouden wordt, een horizontalen pijl aangebracht, dan zal deze pijl nagenoeg loopen in de lijn, welke de inserties van den musculus rectus externus en van den musculus reetus internus op den oogbol verbindt (dus aldus: m. reet. ext. —>- m. reet. int.) en tevens liggen in de richting der oogspleet, dus van den eenen ooghoek naar den anderen gaan.

Hangt men nu het konijn met den kop omlaag, met recht naar beneden gerichten snuit, dan zal de pijl door de rotatoire compensatoire oogdeviatie van ± 60° nog steeds nagenoeg horizontaal zijn, ook nog in de verbindingslijn der bovengenoemde inserties liggen, echter nu van den onderrand der oogkas naar den bovenrand loopen.

Treedt door draaien van het dier om de lengteas een draai-reactie of draainystagmus in de richting van den pij 1 op, dan zullen deze op een verticale draai-reactie, op een verticalen draai-nystagmus lijken. Waarschijnlijk echter zal noch deze draai-reactie, noch deze draai-nystagmus door contracties van den musculus rectus superior en van den musculus rectus inferior tot stand komen, maar zullen vermoedelijk contracties van den musculus rectus internus of van den musculus rectus externus of van beiden daarbij een rol spelen.

Hangt men het dier met den snuit recht naar boven, dan zal, daar nu de rotatoire compensatoire oogdeviatie slechts ± 40° bedraagt, een eventueele nystagmus in de richting van den pijl veel minder op een verticalen nystagmus lijken. Bij hangen met den snuit naar beneden kan dus een nagenoeg verticale nystagmus waarschijnlijk door den musculus rectus externus en door den musculus rectus internus tot stand gebracht worden, bij hangen met den snuit recht naar boven niet.

Uit deze beschouwing volgt, dat, wil men met kans op slagen verdere onderzoekingen doen over het centrale mechanisme der verschillende oogdraaireacties en van den draai- nystagmus in verschillende richtingen, een voorafgaand onderzoek noodzakelijk is, waarbij bepaald wordt door welke spieren de verschillende draai-reacties tot stand komen bij draaien van de dieren om de verschillende assen, en eveneens bij draaien van het dier om één en dezelfde as, waarbij echter deze as verschillend geplaatst wordt.

Uit de verschillende waarnemingen omtrent de oogdraai-reacties bij de dierproeven met steken in het meseneephalon kunnen dus geen verdere gevolgtrekkingen omtrent het centrale mechanisme dezer reacties gemaakt worden. Toch zij, in verband met dit mechanisme, de aandacht gevestigd op konijn Mata Biroe (bldz. 85), dat, niettegenstaande het mesencephalondak met de corpora quadrigemina zoo goed als afgesneden was, oogdraai-reacties, oogdraai-nareacties, oogdraai-nystagmus en oogdraai-nanystagmus in alle richtingen en op beide oogen vertoonde.

Eveneens op konijn Nanel (bldz. 82), dat na een dwarse doorsnijding van het dorsale gedeelte van het meseneephalon van de trochleariskernen af al deze reacties vertoonde.

En ook op konijn X (bldz. 143), waarbij het caudale deel van het meseneephalon nagenoeg door midden gekliefd was door een steek in het

Sluiten