Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haaldelijk zijn hiervan gevallen waargenomen, waarbij ernstige uraemische verschijnselen reeds het ergste deden vreezen, waarbij ook het stikstofgehalte van het bloed hoog was gestegen, maar die tenslotte toch in genezing overgingen.

De chronische nephritis echter, die tot stikstofretentie voert, heeft wel altijd een ongunstige prognose.

Zooals boven gezegd is, begint deze uraemie langzaam en verraderlijk, objectief zoowel als subjectief zijn in het begin weinig symptomen, die het zoo ernstige lijden aanduiden. Ook zal na afloop van een acute nephritis, die in nierschrompeling overgaat, het verloop van het proces moeilijk te voorspellen zijn.

Geen wonder, dat van vele zijden gezocht wordt naar een middel om ons in het beginstadium in te lichten omtrent de prognose van de ziekte. Vandaar dan ook, dat in den laatsten tijd het functioneel nieronderzoek ijverig bestudeerd is.

Wat ons vooral zal bezig houden, is de retentie van stikstof in het serum in vergelijking met de indicanaemie van nierlijders.

Vooral de bepaling van de reststikstof en het ureum in het bloedserum hebben een belangrijke plaats ingenomen in het klinisch onderzoek. Strausz in Duitschland en Widal in Frankrijk zijn de baanbrekers geweest in dit opzicht en het is interessant na te gaan, hoe hun oordeel is over de prognose van de stikstof- resp. ureumretentiebij nierlijders, nu ongeveer 10 jaren dit vraagstuk systematisch is bestudeerd.

Strausz zegt in zijn bekende monographie x), dat een

J) Strausz, die Nephritiden. 1918.

Sluiten