Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daarna bepaalde hij het indicangehalte van het bloed bij nierinsufficientie, nagaande of dit parallel ging met de stikstofretentie. Reeds dadelijk stelde hij hierbij op den voorgrond, dat hij het indican niet beschouwt als de oorzaak van de vergiftiging, doch dat de verhooging in het serum slechts een symptoom ervan is, waarschijnlijk berustend op retentie. Hij vond dan, dat bij uraemie het indicangehalte van het serum 30-60 maal hooger kan zijn, dan in normale omstandigheden het geval is en hij zag hierin misschien een middel om een fijnere methode te vinden ter bepaling van een nierinsufficientie, dan wij tot dusver in de ureum resp. reststikstofbepaling hadden.

Gewoonlijk bepalen wij het ureumgehalte van het serum ten einde uit te maken, in hoeverre het uitscheidingsvermogen van de nieren geleden heeft.

Het ureum is een van de stoffen, die zeer gemakkelijk door de nieren worden uitgescheiden, een retentie zal dus niet zoo gauw plaats vinden; proeven en pathologische anatomie hebben dan ook geleerd, dat er reeds een groot deel van de nieren te gronde moet zijn gegaan, voordat wij een stoornis in de ureumuitscheiding in den zin van een retentie krijgen. Wij zullen dus pas in de latere stadia van een nephritis klinisch een ureum-retentie kunnen aantoonen. Zooals bekend is, neemt bij hoogere azotaemieën het percentage van de ureumstikstof t. o. v. de reststikstof toe: waar normaliter de ureumstikstof 50—70 % bedraagt van de reststikstof, stijgt dit bij retentie tot 90 %• Hijmans vond bijvoorbeeld bij een normaal reststikstofgehalte van 0.228 gr. p. L. een ureumstikstofgehalte van 0.121

Sluiten