Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Stel dat Pat. M. 4.5 K.G. serum had, dan was in het begin van de proef daarin aanwezig 11.7 mgr. indican, aan het eind van de proef 21.2 mgr., zoodat in het bloed 9.5 mgr. indican geretineerd werden. Nemen wij aan dat het indican gelijkelijk over het lichaam verdeeld is (wat niet waarschijnlijk is), dan is er totaal geretineerd ^ X 9.5 = 89.30 mgr.

Er zijn dan totaal gevormd 340.7 + 89.3 = 430 mgr. indican.

Eenzelfde berekening leert bij den patiënt met darmtbc., dat hier gevormd zijn 890.2 mgr. een verschil dus van 460.2 mgr. indican. Niettegenstaande dus bij de patiënte met darmtuberculose meer dan twee maal zooveel indican gevormd werd, is het indicangehalte slechts 0.84 mgr./L., terwijl dit bij den nephritispatiënt 4.7 mgr./L. bedraagt. Wij moeten hier dus niet een vermeerderde vorming, maar een retentie van het indican aannemen.

Nemen wij dus in aanmerking, dat de proeven van Rosenberg op geen vasten bodem rusten, dat theoretisch een retentie te verwachten is en dat de onderzoekingen van Haas duidelijk een retentie aantoonen, dan komen wij tot de conclusie, dat deze laatste theorie de meest waarschijnlijke is.

Sluiten