Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op denzelfden dag een verdunnings-proef met een concentratie-proef verbond.

Den avond vóór het onderzoek krijgt de patiënt inplaats van het gewone avondeten twee eieren met i gr. zout, één broodje en 200 cc. thee.

Daarna mag hij niets meer gebruiken. Den volgenden morgen moet hij om 6 uur en om 7 uur wateren, daarna laat men hem 1 L. water of slappe thee drinken, waarbij hij niets mag eten. De vier volgende uren vangt men de urine op en om 11 uur krijgt de patiënt 100 gr. brood, 100 gr. kaas en 1 gr. keukenzout, terwijl hij nu niets meer mag drinken. Men bewaart nu de urine-porties van 1 uur, 4 uur en 7 uur. Om 1 uur krijgt de patiënt 3 eieren met 1 gr. zout en om 4 uur weer 100 gr. brood, iOO gr. kaas en 1 gr. zout. In de verschillende urine-porties bepaalt men het quantum, het soortgelijk gewicht, het keukenzout- en het ureumgehalte.

Een normaal persoon moet in de eerste vier uren de hoeveelheid water, die hij nuchter gedronken heeft, uitscheiden; het soortelijk gewicht en het gehalte aan keukenzout en ureum daalt daarbij in evenredigemate. Men krijgt hierbij dus een indruk of de nier in staat is voldoende water uil te scheiden. Normaliter daalt het soortelijk gewicht tot 1002—1004.

Om 11 uur begint de concentratie-proef, waarbij nagegaan wordt of de nieren in staat zijn bij vochtonthouding de urine in voldoende mate te concentreeren; het S.G. moet daarbij tot 1025—1030 stijgen. Door het gehalte aan keukenzout en ureum kan men bepalen of het uitscheidingsvermogen van de nier t.o.v. deze stoffen geleden heeft.

Sluiten