Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beenen, die niet door cardiotonica noch door diuretica kunnen beinvloed worden.

Er wordt daarom besloten een Karell'sche melkkuur toe te passen. Na een week wordt overgegaan tot zoutloos dieet. Sinds het begin van de melkkuur daalt het gewicht in 14 dagen van 54.5 K.G. op 44 K.G. Daarna volgt een verdere daling tot 36.2 K.G., waarna het gewicht langzaam stijgt tot 41.3 K.G. bij ontslag. Eenige dagen hiervoor bedraagt het ureumgehalte van het serum 0.4°/O0. Het serum was onteiwit met sulfosalicylzuur, het ureumgehalte zal dus iets hooger genomen moeten worden en is dan aan de bovengrens van het normale. Deze neiging tot een azotaemie, een „azotémie d'alarme" volgens Widal, komt niet tot uitdrukking in het indicangehalte van het serum, dat 0.9 mgr/L. bedroeg.

Wij zien hier dus een geval van een secundaire schrompelnier. De ziekte is namelijk begonnen met oedemen in het gezicht, het eiwitgehalte van de urine is hoog. Daarom bestaat hier geen genuine schrompelnier. De verhoogde bloeddruk, het lage S.G. van de urine, de behoorlijke diurese, terwijl er toch oedemen zijn, bewijzen, dat er reeds een schrompelingsproces in de nieren bestaat. Er bestaat een lichte neiging tot een toxische uraemie, die echter door het indicangehalte van het serum niet aangetoond kan worden. Het meest op den voorgrond staan de oedemen, die berusten op retentie van keukenzout. Na zoutarm dieet verdwijnen zij geheel, ook de klachten over benauwdheid zijn hiervan afhankelijk, na het weggaan van de oedemen voelt patiente zich volkomen goed.

Volgens de indeeling van Volhard en Fahr bestaat hier dus een nephritis met schrompeling „mit nephrotischem Einschlag", volgens de indeeling van Senator zouden we hier van een chronische glomerulo-nephritis gesproken hebben.

De prognose van dit geval is meer afhankelijk van de complicaties, die bij haar ziekte kunnen optreden, dan van de neiging tot een azotaemie, waarvan patiente weinig

Sluiten