Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in de spleten door, zonder dat ergens in het ruggemerg zelf infiltraten te ontdekken zijn.

Het ruggemerg is in zijn geheel kleiner dan normaal.

Lateraal bestaat beiderzijds een groeve, dorsaal van de zijhoorn en ventraal van de achterhoorn met substantia gelatinosa. De groeve, sulcus accessorius lateralis dringt vrij diep naar binnen, bevat veel vaten en geeft aan de zijstrengen een eigenaardige golvende teekening.

Het centrale kanaal is op deze hoogte duidelijk verwijd, is niet rond, doch ongeveer vijfhoekig, zoodat één hoek dorsaal gericht is en beide andere paren lateraal en ventrolateraal.

De achterstrengen zijn normaal van bouw, de mergscheede-ontwikkeling lijkt volledig, er bestaan duidelijk gescheiden strengen van Goll en Burdach.

Hetzelfde geldt van de intredende achterwortelvezels, van Lissauer's randzöne, van substantia gelatinosa R o 1 a n d i en achterhoorn: de bouw van deze elementen wijkt in geen enkel opzicht af van een normale ruggemergsconfiguratie.

Beiderzijds is tusschen achterhoornen en achterstrengen een plaats open voor de zuilen van C 1 a r k e, waarvan, zooals later zal blijken, slechts weinig cellen aanwezig zijn.

De zijhoornen zijn celrijk, zonder verder bijzonderheden te vertoonen.

De voorhoornen bevatten vele groote motorische cellen, die in de typische groepen over den voorhoorn verdeeld zijn.

De voorwortels zijn ook normaal.

Belangrijke afwijkingen vind ik pas in de voor- en zijstrengen.

De voorstrengen zijn, vooral bij de goed ontwikkelde commissura anterior, geheel gemyeliniseerd: er is echter geen plaats overgebleven voor een pyramide-voorstreng: als een solide mantel liggen de voorstrengvezels om den voorhoorn met zijn groote motorische cellen heen.

Zoodra meer dorsaal de motorische gangliëncellen niet meer aanwezig zijn, worden de zijstrengen veel bleeker, verbreeden zich ventraal van de zijhoornen even, worden daarna smaller en bleeker wanneer zij zich tusschen zijhoornen en sulci accessorii laterales heenslingeren.

Alleen dorsaal van den genoemden sulcus accessorius lateralis bevinden zich nog goed gemyeliniseerde vezels. Deze liggen tegen de laterale buitenvlakte van het ruggemerg en gaan van de randzöne van Lissauer ventraal tot soms even om de bocht van den sulcus access, lat. heen (tractus spino-cerebellaris dorsalis).

Moeilijk uit te maken is, in hoeverre in deze slecht gemyeliniseerde zijstrengen verder nog bundels te identificeeren zijn.

Of de zeer bleeke bundels mediaal van de (ook in het verdere verloop) vrij duidelijke spino-cerebellaire baan overeenkomen met de pyramiden-zijstreng baan, is waarschijnlijk, doch niet zeker.

Vermoedelijk zullen in de zijstrengen ook nog vezels van een vestibulo-spinale baan aanwezig zijn: een af te scheiden bundel vormen zij echter niet.

Samengevat vinden wij dus de volgende afwijkingen:

I. verdikking der pia vnl. dorsaal; 2. verwijding van de canalis centralis met eigenaardigen bouw; 3. sulcus accessorius; 4. vrijwel totale afwezigheid der pyramide-banen; 5. afwezigheid van alle lange projectie-banen uitgezonderd achterstrengen en tractus spino-cerebellaris dorsalis; 6. celarmoede in de zuilen van C 1 a r k e.

II. Het onderzoek van doorsneden gekleurd volgens Nissl, del Rio Hortega, Bielschowsky, van Gieson, W e i g e r t's elastica-kleuring en H o 1 z e r.

Sluiten