Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1. Op eenigen afstand van het oorspronkelijke kanaal ontstaat in de serie uit een ophooping van cellen een kanaal met een opening, dat na een korter (4 en 5) of langer verloop (7) op dezelfde wijze blind eindigt zonder in eenig verband tot het oorspronkelijke kanaal te treden. (Zie afbeelding 12.)

2. Uit de dorsale gedeelten van het oorspronkelijke kanaal komen cel-ophoopingen vrij, waaruit een kanaal blijkt te ontstaan, dat, hetzij geheel vrij (6), hetzij in nauw contact met het oorspronkelijke kanaal, blind eindigt (2).

3. Slechts 2 der overtollige kanaaltjes hebben een open verbinding met het oorspronkelijke kanaal.

Voor het derde kanaal ontstaat deze open verbinding door een zijdelingsche vernauwing van het wijde kanaal, dat na de aftakking nauw blijft tot de sluiting van het 2de en 6de overtollige kanaal.

Ook het eerste overtollige kanaal (ontstaan uit cel-ophoopingen) opent zich in een verwijd kanaal.

Het is opvallend dat het centrale kanaal zelf wijd is wanneer geen, nauw wanneer wel overtollige kanalen aanwezig zijn.

Tenslotte zij opgemerkt dat de overtollige kanalen in hun bouw door een zekere onregelmatigheid gekenmerkt zijn: de ependym-cellen zijn niet regelmatig radiair naast elkaar gelegen, doch liggen op en over elkaar, terwijl in den omtrek herhaaldelijk cellen opgehoopt liggen die in het sub-ependymaire grijs overgaan zonder scherpe scheiding.

Van cel-deelingen was ondanks nauwkeurig zoeken niets te vinden.

Zooals in het schema aangegeven is, bevinden de ectopische trigeminus-kernen in de achterstrengen zich ongeveer op éénzelfde hoogte.

Afwijkingen in het centrale kanaal zijn ook elders te vinden.

In het thoracale merg is een overtollig kanaal in de verklevingslijn te zien dat echter niet verder op serie-coupes vervolgd is.

Belangrijker zijn de afwijkingen in het distale einde van het ruggemerg.

In den conus terminalis bevindt zich een groote ventriculus terminalis, die distaal niet blind eindigt, doch zich voortzet in een reeks overtollige woekerende kanalen, soms één, soms 4, die zich telkens weer op een andere wijze ordenen, takken afgeven, in elkaar uitmonden en samenvloeien. (Zie afb. 13.)

Wanneer de serie distaal onderzocht wordt, blijkt het nerveuze weefsel steeds kleiner in omvang te worden, zoodat tenslotte niets rest dan een aantal kanalen met glia-achtige cel-ophoopingen er om heen.

Het kanaal eindigt in een ophooping van weinig gedifferentieerde ependymaire cellen (het centrale kanaal eindigt dus blind).

In de andere deelen van het ruggemerg is het centrale kanaal meestal verwijd.

Nergens bestaat een volledige obliteratie: het kanaal is dus open van het distale gedeelte van het filum terminale af tot den 4den ventrikel toe.

§ 6. Medulla oblongata en rhombencephalon.

De proximale gedeelten van het ruggemerg werden na etsing in de vloeistof van M ü 11 e r in celloidine ingebed en gesneden; alle coupes werden bewaard zoolang nog merghoudende vezels aanwezig waren. Daarna, in de proximale blaasjes, werd slechts één per 3 a 5 coupes bewaard.

De dikte der doorsneden bedroeg resp. 20, 25 en 30 mucra; zij werden gekleurd met resp. karmijn, karmijn-Weigert-Pal, en Weigert-Pal.

Sluiten