Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

pyramidezijstrengbaan aanwezig is. De incisura lateralis kan hier zeker niet door de eigenaardigheid in het verloop der pyramidebanen verklaard worden zooals hij het doet.

Het is dus waarschijnlijk, dat de zijdelingsche overtollige groeve in deze gevallen een geheel anderen oorsprong heeft en niet op één lijn gesteld mag worden met de plooien die door oppervlakte-eigenaardigheden ontstaan.

Om iets verder te komen in deze zoo moeilijke kwestie onderzocht ik enkele ruggemergen, waarbij sinds langen tijd een eenzijdige atrophie der pyramidebanen bestond. Zooals uit de foto (afb. 9) blijkt, bestaat hier inderdaad een groeve, doch niet op de typische plaats van den sulcus accessorius. In de gevallen, die ik onderzocht, vond ik deze groeve steeds veel meer ventraal.

Evenmin is iets van een inzinking in de zijdelingsche afgrenzing van de atrophische pyramidezijstreng te vinden. Er bestaat n.1. een mogelijkheid dat de groeve verband zou houden met een lamellairen bouw van de pyramide-zijstreng, iets waarvan overigens, noch in de pathologie, noch in de embryologie iets bekend is.

Tenslotte vestigde ik mijn aandacht op de vergelijkende anatomie. Prof. Dr. C. U. Ariëns Kappers, directeur van het herseninstituut was zoo vriendelijk een groot aantal ruggemergen van dieren met mij door te kijken en mij met zijn groote ervaring ter zijde te staan.

Het is begrijpelijk dat hierbij vooral die dieren de aandacht trokken, die een bijzonder sterke ontwikkeling van achter- en voor hoornen hadden.

Er was echter geen ruggemerg te vinden waarin een aanknoopingspunt te vinden was, dat eenig licht in deze duistere kwestie bracht.

Slechts bij één visschensoort werd een zijdelingsche groeve gevonden, die echter geheel in overeenstemming met de levensgewoonten van dat dier te begrijpen was. De sterke ontwikkeling van de gevoeligheid der vinnen brengt bij deze dieren n.1. mee, dat een deel der centripetale vezels (niet te identificeeren met de lange tot kernen van G o 11 en Burdach opstijgende achterstrengvezels der zoogdieren) in de zijstrengen komt te liggen ventrolateraal der achterhoornen. Deze bundel is bij sommige visschen zeer sterk vertegenwoordigd, zoodat in den lateralen omtrek der zijstrengen tusschen centripetale en overige vezelbundels, die meer ventraal liggen, een inzinking ontstaat.

Van identificatie met de accessoire groeve is natuurlijk geen sprake; wel is dit een leerzaam voorbeeld, van de afhankelijkheid tusschen den vorm van het ruggemerg en zijn functie en we zien hoe een ongewone groeve ontstaan kan door een dergelijke samenloop van omstandigheden.

Het is mij dus niet gelukt iets verder te weten te komen over de tweede factor, die zich doet gelden bij het optreden van den sulcus lateralis accessorius. De eerste factor (het benutten van de beschikbare plaats) geeft in veel gevallen een min of meer bevredigende verklaring.

In vele andere gevallen worden wij echter gedwongen aan te nemen, dat ook nog een andere factor zich doet gelden. Van welken aard deze is, weten wij niet.

§ 4. De weefseleilandjes in de achterstrengen.

In den beginne meende ik dat deze eilandjes tumoren waren, een soort glioom of gliomateuze woekering.

Hiertegen waren echter veel bezwaren: in de ,,nieuw-vorming" waren niet bijzonder veel vaten of capillairen, zooals meestal in gliomateuze tumoren gevonden worden. Ook liepen fijne merghoudende vezeltjes op een zeer regelmatige wijze tus-

Sluiten