Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ook verre de voorkeur boven die van Hammerschlag, ofschoon later o.a. Robin *) nog de laatste verkoos.

Ook Bettmann en Schroeder2) zagen, dat door het reagens van Esbach de peptonen ten deele worden gepraecipiteerd. Wanneer zij de digestievloeistof na de vertering behandelden met trichloor-azijnzuur en daarna centrifugeerden, dan konden ze in de vloeistof met het reagens van Esbach nog een tweede neerslag verkrijgen, bestaande uit peptonen.

Zij wijzigden daarom de methode aldus : zij maakten een 1 % eiwitoplossing in 0.2% zoutzuur, brachten deze 12 uur bij 38° C. Hiervan namen ze telkens 10 cM3 in buisjes (verdeeld in 15 cM3), vulden aan tot 15 cM8 met maagsap, voor de controle met 0.2% zoutzuur. Ze lieten 70 minuten digereeren bij 38° C. Zij kozen dezen tijd, omdat dikwerf het pepton pas na 40 a 50 min. „en masse" uit de primaire splitsingsproducten werd gevormd. Zij vonden dan nl. een plotseling toenemen van de digestieproducten.

Na de digestie vermengden ze 10 cM3 met 5 cM310 % trichloor-azijnzuur, schudden en centrifugeerden gedurende 2 uur, tot het centrifugaat constant bleef. De centrifugebuisjes waren verdeeld in 15 cM3, terwijl de onderste cM3 nog verdeeld was in Vso cM3.

Bv. contrölebuisje: sediment 25 X Vso cM3.

Digestiebuisje: „ 10 X Vso cM3.

Dus verteerd: 15 X Vso cM3 van 25 X 1/M cM3 sediment.

Op 100 cM3 zouden 60 cM3 verteerd zijn. Derhalve bedroeg de digestie 60% van het aanwezige eiwit.

In ons land heeft van Spanje 3) over de methode geschreven. Hij schijnt de genoemde bezwaren tegen haar niet te deelen. Hij vond, dat een eiwitoplossing altijd een constant praecipitaat gaf; dat 1 uur digestie voldoende was, daar langer durende digestie soms in 't geheel geen praecipitaat meer gaf. Of de digestie na het toevoegen van het reagens van Esbach nog verder gaat, onderzocht hij door in zulk een digestiemengsel buisjes van Mett te leggen, die dan na 24 uur nog geheel onaangetast waren. Daarbij moet echter worden opgemerkt, dat buisjes van Mett voor zulk een mengsel al zeer weinig gevoelige indicatoren zijn.

1) Robin: Ueber das Verhalten des Pepsins bei verschiedenen Magenkrankheiten. Archiv für Verdauungskrankh. Bd. X. 1904. S. 242.

2) Bettman und Schroeder: Ueber die Bestimmung der proteolytischen Kraft des Magensaftes etc. Archiv für Verdauungskrankh. Bd. X. 1904. S. 599.

3) van Spanje: de gebruikelijke Methoden der Pepsinbepalingen en enkele harer toe¬

passingen in de kliniek. Ned. Tijdschr. voor Geneeskunde. 1908. Ie helft No. 11. p. 809.

Sluiten