Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wijze van uitvoeren der methode. Zoo varieert o.a. zeer sterk de sterkte van de ricineoplossing.

Einhorn ') maakte een toestel, bestaande uit een vacuumglas, dat hij vulde met water van 50 a 60 ° C. en waarin hij een stel met ^reageerbuisjes kon plaatsen, gevuld met digestiemengsels van verschillende concentratie. Het vacuumglas werd dan goed gesloten en na 30 min. bepaald in welke buisjes er een volledige opheldering had plaats gehad.

Mij dunkt, dat de temp, waarbij althans in het begin de digestie plaats heeft, te hoog is, waardoor zeker de pepsine zal worden beschadigd. Het is mij daarom niet duidelijk in welk opzicht Einhorn de methode zou hebben vereenvoudigd.

Ook voor pepsinebepalingen van urine heeft men de methode van Jacoby-Solms zeer vaak gebruikt, o.a. Wilenko,2) Ellinger en Scholz,3) Bieling4'). Dan moet men natuurlijk de ricineoplossingen verdund nemen en de tijden van digestie verlengen.

Ellinger en Scholz hebben later echter in plaats van de ricinemethode, de methode van Gross gebruikt, daar ze soms ook in de proeven zonder pepsine ophelderingen zagen.

In het, vóór korten tijd verschenen boek van Effront5) heeft hij de ricinemethode zeer aanbevolen, vooral „quand il s'agit d'essais comparatifs .

Men kan, dat is natuurlijk een groot voordeel van de methode, ook bij kamertemperatuur experimenteeren.

Reeds in 1907 heeft Liebmann 6) in plaats van een ricinesuspensie, een suspensie van gecoaguleerd kippeneiwit gebruikt.

Later gaf Hata 7) ook een methode aan met een eiwitoplossing, die bereid was door kippeneiwit fijn te wrijven en te verdunnen met water. Zoo had hij een opalesceerende vloeistof, die door pepsine helder werd. Hij heeft bovendien een methode aangegeven om het eiwit in poedervorm te brengen, nl. in een vacuumklok bij 50—55° C.

Hij zag soms bij proeven met hondenmaagsap, dat een helder geworden

1) Einhorn: Ueber eine Vereinfachting der Ricinmethode. Berl. klin. Wochenschr. 1908. S. 1567.

2) Wilenko: Zur Kenntnis der Pepsinausscheidung. Berl. klin. Woch. 1908. S. 1060.

3) Ellinger und Scholz: das peptische Ferment des Harns. Deutsch. Arch. f. klin. Med. Bd. 99. 1910. S. 221.

4) Bieling: Die diagnostische Bedeutung des Harnpepsinsbei Magencarcinom. Deutsch. Arch. für klin. Med. Bd. 102. 1911. S. 507.

5) Effront: Les catalyseurs biochimiques dans la vie et dans 1'industrie. Paris 1914. p. 265.

6) Liebmann: Eine neue Methode etc. Gecit. naar Münch. Med. Wochenschr. 1907. S 1550.

7) Hata: Ueber die Bestimmung des Pepsins etc. Biochem. Zeitschr. Bd, 23.1910. S. 179.

Sluiten