Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waren natuurlijk de digestie-producten minder storend en had de digestie

meer gelijkmatig plaats.

Ook Sörensen x) heeft de stikstof-bepaling naar Kjeldahl gebruikt. Hij liet een acid-albumine-oplossing digereeren, Na de vertering praecipiteerde hij het onverteerde eiwit öf door een 15% looizuur-oplossing öf dooreen stanno-chloride-oplossing, filtreerde en bepaalde het N-gehalte van het

filtraat. _

Reeds vroeger vermeldde ik, dat Bogdandy ~) de N. bepaalde, ien slotte heb ik nog Effront3) te noemen, die het onverteerde eiwit precipiteert, door eerst te neutraliseeren en daarna door iets azijnzuur aan te zuren en te koken in een autoclaaf bij 100° C. Van het filtraat doet hij dan een stikstofbepaling.

Ook op de biureetreactie der splitsings-producten zijn bepalingen van het pepsine-gehalte gebaseerd. Wel meende Johannessen 4), dat uit de verschillende kleur der biureetreactie niet de hoeveelheid pepton kon berekend worden, maar toch heeft later Klug sen.5) er een methode op gebaseerd. Hij neutraliseerde vóór en na de digestie het digestie-mengsel. In het laatste geval kookte hij de vloeistof eerst op. Dan [behandelde hij de vloeistof met natronloog en kopersulfaat, filtreerde en deed een deel van het filtraat in de „Trog" van Schultze, die hij voor den spektrophoto-meter

van Glan plaatste.

De aflezing, hierbij verkregen, vergeleek hij met die, wanneer hij de „Trog" gevuld had met water. Aldus bepaalde Klug de exstinctiecoëfficient. Deze zou de relative eiwitconcentratie het eenvoudigst uitdrukken. Had hij de E1 (exst. coeff.) van het maagsap en de E2 van het verteringsmengsel bepaald, dan zou E2—E1 een maat zijn voor de hoeveelheid

gevormde albumosen en peptonen.

Ook Klug juri.8) heeft dergelijke bepalingen gedaan, maar hij trachtte

nog meer splitsingsproducten afzonderlijk te bepalen.

Kaufmann') gebruikte naast de methode van Mett de biureetreactie. Hij zag deze negatief uitvallen, waar ook de methode van Mett in den steek liet. Anders was de sterkte van de biureetreactie ± parallel aan de digestie naar Mett.

1) Sörensen: Enzymstudiën. Bioch. Zeitschr. Bd. XXI. 1909. S. 131—305. ' 2) Bogdandy: 1. c. 3) Effront: 1. c. 4) Johannessen: 1. c.

5) Klug sen. : Untersuchungen über Pepsinverdauung. Pflüger's Archiv Bd. 60.1895. S. 43.

6) Klug jun.: Beitrage zur Pepsinverdauung. Pflüger's Archiv Bd. 65. 1897. S. 330.

7) Kaufmann: Zur Frage der quant. Pepsinbestimmung nach Mette. Archiv für Verdauungskrankh. Bd. IX. 1903. S. 570.

Sluiten