Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Arrhenius *) heeft het eerst aangetoond, dat het electrisch-geleidingsvermogen van een electrolyt afneemt, door in zijn oplossing te brengen een niet-electrolyt, bv. eiwit. Wanneer albumine in zure oplossing gesplitst wordt in albumosen, dan zal de verbinding van het zuur met de albumosen een ander geleidingsvermogen bezitten, dan het zuur met het albumine had. Het geleidingsvermogen zal afnemen. Hiervan heeft Sjöqvist2) partij getrokken. Hij bereidde albumineoplossingen, waarvan hij door uitdampen, drogen, verbranden en wegen van de asch het albuminegehalte bepaalde. In fleschjes deed hij bepaalde hoeveelheden albumineoplossing, zoutzuur en verschillende hoeveelheden pepsineoplossing, liet digereeren bij 37° C. Na verschillende tijden bepaalde hij in proefjes bij 18° C. het geleidingsvermogen. In tabellen geeft hij: /x = moleculair-geleidingsvermogen, en A = vermindering van het geleidingsvermogen.

Evenzoo heeft Oker-Blom3) bepalingen gedaan voor een maagsapeiwitoplossing. Ook hij zag het electrisch geleidingsvermogen afnemen, hoewel ten slotte minimaal. Hij meent, dat dit veroorzaakt wordt door de binding van het zoutzuur door de splitsingsproducten.

Later zal ik uitvoerig op de onderzoekingen van Sjöqvist terugkomen. Daar echter de bepaling van het electrisch geleidingsvermogen voor quant, pepsinebepaling te ingewikkeld is, zal ik hun methodiek niet nader bespreken. Ik wil er alleen op wijzen, dat Oker-Blom 4) ook vriespuntsbepalingen van digestievloeistoffen deed met het toestel van Beckmann. Hij vond echter, dat het vriespunt van eiwitoplossingen onder invloed van pepsine zèèr weinig wisselde en dan nog wel soms in positieven, soms in negatieven zin.

Uit deze groep is veelvuldig de methode van Volhard5) gebruikt voor quantitatieve bepalingen van pepsine, ten minste voor klinisch onderzoek. Vroeger heb ik reeds beschreven de methode van Thomas en Weber6), waarbij caseineoplossingen gedigereerd werden en waarna, na praecipitatie

1) Arrhenius: Ueber die Aenderung des elektrischen Leitungsvermögens einer Lösung etc. Zeitschr. für physikalische Chemie. Bd. IX. 1892. S. 493.

2) Sjöqvist: 1. c.

3) Oker-Blom: Thierische Safte und Gewebe etc. Skand. Archiv für Psysiologie. Bd. XIII. 1902. S. 359.

4) 1. c.

5) Volhard: Ueber eine neue Methode etc. Münch. Med. Woch. 1903. No. 49. S. 2129. id.: Ueber eine neue Methode etc.: Münch. med. Woch. 1904. S. 158.

6) Thomas und Weber: 1. c.

Sluiten