Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Küttnerx) is tegen het gebruik van de caseineoplossing van Löhlein 2), omdat er NaCl bij ontstaat, dat remmend werkt op de pepsine. Daarom neemt hij liever de zoutzuur-caseineoplossing. Hij neemt 100 gram caseine op 400 cM3 water van 50° C, laat dit V2 uur staan op 50° C. Nu vult hij aan tot 1 L. met water, doet er daarna al schuddend zoutzuur bij, nl. 140 cM3 normaal. Ten slotte vult hij aan tot 4 Liter met water van 50° C. Hij neemt voor elke proef 200 cM3 van deze caseineoplossing, vult aan tot 300 cM3 met water en maagsap, laat 1 uur digereeren bij 40° C. Na de digestie brengt hij erbij 100 cM3 20 % glauberzout, filtreert en bepaalt van 200 cM3 de aciditeit, met phenolphtaleïne als indicator. Hiervan trekt hij af de aciditeit van het maagsap en van het filtraat van de contrölevloeistof.

Heichelheim en Kramer3) schijnen zeer met de methode van Volhard te zijn ingenomen. Zij toch schreven „scheint dieselbe zur Zeit die beste Methode zu sein, wo es darauf ankommt genau quantitativ zu arbeiten." Evenzoo is Reicher 4) zeer met haar ingenomen, vooral tegenover de methode van Mett, waarop Nirenstein en Schiff „eine ebenso gründliche wie fast vernichtende Kritik" zouden hebben uitgebracht. Ten slotte noem ik nog de onderzoekingen van Wojwodoff,5) Marie Schapiroe) en Molnar,1) waarbij de methode is gebruikt, zij het al met kleine wijzigingen, die echter geen bijzondere beteekenis hebben.

Een geheel nieuwe methode is door Sörensen8) gegeven. Deze berust hierop, dat men de proteolytische splitsing van eiwitstoffen mag opvatten als een hydrolyse, waarbij carboxyl- en amino-groepen vrijkomen. Hij trachtte zoowel de carboxyl-groepen als de amino-groepen te bepalen, maar alleen de bepaling der eerste gaf bevredigende uitkomsten. Hiertoe

1) Küttner: Ueber die Volhardsche Pepsinbestimmung, Zeitschr. f. physiol. Chemie Bd. 52. 1907.

2) Bogdandy 1. c.: beweert, dat door NaOH uit de caseine zouden ontstaan stoffen, die door natriumsulfaat niet meer worden gepraecipiteerd.

3) Heichelheim en Kramer: Ueber den Einfluss von Salzsaureeingiessungen auf den Pepsingehalt etc. Münch. Med. Woch. 1904. S. 330.

4) Reicher: Ueber neuere Methoden quantitiver Pepsinbestimmung. Wien. klin. Woch. 1907. No. 48. S. 1508.

5) Wojwodoff: 1. c.

6) Marie Schapiro: Ueber die Volhardsche Methode. Med. Diss. Bern. 1908.

7) Molnar: Ueber die Frage des Uebertrittes etc. Zeitschr. f. klin. Med. Bd. 67.1909. S. 188.

8) Sörensen: Etudes Enzymatiques. Comptes-rendus des travaux du Laboratoire de

Carlsberg. 7me Volume, lre Livraison. 1907.

Id.: Enzymstudiën : Biochem. Zeitschr. Bd. VII. S. 45.

Sluiten