Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

30

van de methode van Mett zou zijn. Mij dunkt, we zouden met meer recht kunnen spreken van de wijziging naar Linossier. Natuurlijk volgt weer ieder onderzoeker zijn eigen methode om buisjes van Mett te maken of om de verteerde lengten te meten.

Zoo verhitten Nirenstein en Schiff1) de buisjes, om het eiwit te doen stollen, op 95° C. gedurende 10 minuten, Meyer2) op 100° C. gedurende 5 minuten, Meier3) op 70° C. Belgowski*) overgiet de buisjes 3 maal met kokend water, Lewin 5) brengt de buisjes gedurende 5—10 min. in water van 100° C. en laat ze in het langzaam afkoelende water tot den volgenden dag.

Verder is het van het grootste belang, de buisjes te vullen met eiwit, zonder dat er luchtbelletjes in zitten. Hiertoe hebben Heichelheim en Kramer8) de buisjes gereinigd met water, alkohol en aether, terwijl ze het eiwit zooveel mogelijk bevrijden van lucht, door het eiwit eenigen tijd onder de luchtpomp te laten staan. Voor hetzelfde doel liet Grützner7) het eiwit eenige uren staan bij 40° C. Linossier8), Schorlemmer9) en Meier10) lieten min of meer gecompliceerde meetapparaten maken. Alle onderzoekers laten de buisjes liggend in de digestie-vloeistof digereeren, alleen Rzentkowskin) laat ze vertikaal verteren.

In de tabellen wordt meestal de verteerde lengte van één buisje van Mett weergegeven, als gemiddelde van meerdere.

Zeker is het een nadeel van de methode van Mett, dat o.a. door verschillende samenstelling van het eiwit de vertering van buisjes van Mett soms gemakkelijker, soms moeilijker plaats vindt. Het verschil zou, zoo meent Kaufmann,12) wel 56 n/o kunnen bedragen. Daarom is de studie

1) L c.

2) A. H. Meyer: Zur Kenntnis der Magensekretion. Archiv für Kinderheilkunde. Bd. 35. 1903. S. 79.

3) H. Meier: Ueber eine Verbesserung etc. Berl. klin. Woch. Bd. 43. 1906. S. 347.

4) Belgowski: Ein Beitrag zur Lehre etc. Pflüger's Archiv Bd. 148. 1912. S. 330.

5) Lewin: Ueber den Nachweis und die diagnostische Bedeutung des Pepsins etc. Inaug. Dissertation. Leipzig. 1902. s. 33.

6} Heichelheim u. Kramer: 1. c. s. 330.

7) Grützner: Ein Beitrag zum Mechanismus der Magenverdauung.

Pflüger's Archiv. Bd. 106. 1905. S. 478.

8) Linossier: 1. c.

9) Schorlemmer: 1. c.

10) Meier: 1. c.

11) Rzenikowski: Studieën über die proteolytische Kraft etc.

Arch. für Verdauungskrankh. Bd. IX 1903. S. 348.

12) Kaufmann: Zur Frage der quant. Pepsinbestimmung nach Mett. Archiv für Verdauungskrankh. Bd. IX. 1903. S. 562.

Sluiten