Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van J. Christiansen1) zeer belangrijk, daar zij aangegeven heeft, op welke wijze men die fouten tot een minimum kan beperken. Haar methode komt hierop neer, dat men voor het maken van een serie buisjes van Mett het eiwit bij bepaalde temperatuur laat stollen, waardoor het eiwit even snel gedigereerd wordt als van de buisjes eener vorige reeks. Zij vult hiertoe 11 buisjes met eiwit, laat deze coaguleeren bij resp, 90°, 89, 88 etc. tot 80° C. Nu bepaalt ze in proeven, welke van deze buisjes even snel verteerd worden als de buisjes van de vorige reeks, die bij 85° C, tot stolling waren gebracht. Stel, dat ze vond, de buisjes die bij 88° C. gecoaguleerd waren, dan verwerkt zij de rest van het eiwit in buisjes bij 88° C. en controleert nogmaals of het ijken gelukt is. De middellijn der buisjes mag wisselen, volgens Christiansen, van 0.9 tot 1.5 mM zonder merkbare afwijking. Wordt de middellijn kleiner, dan wordt de vertering ook geringer, zooals o. a. ook Jung2) vond.

Enkele onderzoekers vulden buisjes van Mett met paardenserum. o. a. Glaessner3), Dauwe4), M. A. van Herwerden.5)

Pawlow en Parastschuk 6) gebruikten serum-albumine.

De buisjes, gevuld met serum, zouden sneller gedigereerd worden dan die met gestold kippeneiwit. Hierdoor zouden derhalve de buisjes ook kleine hoeveelheden pepsine kunnen aantoonen.

1) J. Christiansen: Einige Bemerkungen über die Mettsche Methode. Bioch. Zeitschr. Bd. 46. S. 257.

2) Jung: Pepsinbestimmungen nach modernen Methoden etc. Arch. für Verdauungskrankh. Bd. VIII. 1902. S. 605.

3) Glaessner: Ueber die Vorstufen etc.: Hofmeisters Beitrage Bd. I. 1902. S. I.

4) Dauwe: Ueber die Absorption etc. : Hofmeisters Beitrage Bd. VI. 1905. S. 426.

5) M. A. van Herwerden: Zuurafscheiding en Enzymwerking in de maag van visschen. Onderzoekingen. Physiol. laboratorium Utrecht. Ve Reeks. IX. p. 36.

6) Pawlow u. Parastschuk: Ueber die ein- und demselben etc. Zeitsch. für physiol. Chemie Bd. 42. 1904. S. 415.

Sluiten