Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een zuurvermeerdering gevonden van 2918 cM8 V20 n. NaOH, in proef II voor 1 cM3 maagsap van 22.38 cM3. Daarom, zegt Küttner, moeten we de uitkomsten van proef I met 29.18 — 22.38 = 6.80 cM3 verminderen. Zoo construeert hij zijn tabel, waarin berekend 1: naar directe evenredigheid uit de zuurvermeerdering van 2 cM3 maagsap; berekend 2: id. naar den regel van Schiitz.

Tabel

Maagsap. Gevonden. Berekend 1. Berekend 2.

0.25 cM3 4.55 — 6.8 = —2.25 5.72 16.23

0.50 „ 13.09 — 6.8 = 6.29 11.44 22.83

0.75 „ 22.44 — 6.8= 15.64 17.16 28.10

1.0 „ 29.18 — 6.8 = 22.38 22.88 32.45

2.0 „ 45.76 45.76 45.76

3.0 „ 53.74 68.64 56.13

4.0 „ 64.72 91.52 64.90

5.0 „ 71.70 114.4 72.37

Hieruit leidt Küttner af, dat bij een vermeerdering van zuurgraad tusschen 46 en 71 cM3 V20 n. HC1 de regel van Schütz zou gelden, tusschen 46 en 22 cM3 de regel der directe evenredigheid en ten slotte onder de 22 cM3 geen van beide regels.

We mogen m. i. deze twee proeven absoluut niet met elkander vergelijken, aangezien ze toch, zooals Küttner zelf aangeeft, voor 1 cM3 maagsap een verschil in zuurgraadvermeerdering opleverden van 6.8 cM3. Het behoeft daarom geen nader betoog, hoe weinig waarde we moeten toekennen aan hetgeen Küttner uit zulk een tabel wil afleiden.

Integendeel, geloof ik, dat de proeven van Küttner met de methode van Volhard ons duidelijk leeren, dat het onmogelijk is met haar een bepaalde regelmaat te ontdekken in de pepsinewerking.

Gaat de regel van Schütz of van directe evenredigheid op, dan is dit een groote toevalligheid.

Voor de methode van Fuld-Levison heeft alleen Kurt Meyer1) getracht den regel van Schütz-Huppert aan te toonen.

Hij werkte met een 1 % oplossing van edestine en een 1 % oplossing van pepsine „Grübler", beide in 1/39 n. HC1 opgelost.

Hij bracht in de buisjes verschillende hoeveelheden oplossing van pepsine en edestine, vulde ze alle met 1/33 n. HC1 aan op 5 cMs en

1) Kurt Meyer: 1. c.

Sluiten