Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

X = de hoeveelheid eiwit (albumine), die gebonden is aan HC1. A — X = A = de hoeveelheid chloorwaterstofzuur gebonden door de albumosen. Aldus:

d X X p

~~ dt ~ x A—x' '

<L^l — zou zijn de geleidingsvermindering in de tijdseenheid = digestie-

d t

snelheid.

Volgens Arrhenius kan men door differentiatie uit de vergelijking

afleiden: , .

A (log. A — log. X)+X — A = xPt. Ware X nagenoeg constant, dan

zou de integraal de vorm krijgen:

A — X =/ x? t, dus is de hoeveelheid verteerd albumine evenredig

aan den wortel uit tijd en concentratie (regel van Schütz-Huppert), hetgeen we in bovenstaande tabel tot het product p t — 1 bevestigd zagen. ^

Wij zullen nu de studie van Grützner1) „Ueber Fermentgesetze"

bespreken.

Reeds vroeger zagen we, dat hij bij de bestudeering van de pepsinewerking drieërlei methoden onderscheidde en sprak.

1°: van de „Schwannsche Versuche".

II0: van de „Brückesche Versuche".

III0: van de „Wilhelmysche Versuche".

Bovendien wees hij er op, dat men onderscheid moet maken tusschen den toestand van het substraat, of dit b.v. in vasten of opgelosten toestand is.

I A: Substraat in vasten toestand.

In de volgende proef liet Grützner stukjes gecoaguleerd eiwit van 2 gram in oplossingen van pepsine met verschillende concentratie digereeren en bepaalde door wegen na 6 uur digestie hoeveel opgelost was.

Tabel

Verhouding der peps.-conc.

1 2 4 8 16 32 64

Opgelost eiwit in grammen. 0.287 gram. 0.391 „ 0.588 „ 0.664 „ 0.840 „ 0.875 „ 0.982 „

1) Grützner : 1. c. in Pflüger's Archiv. Bd. 141. S. 63.

Sluiten