Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

METHODE VAN VOLHARD

Ik gebruikte voor de methode van Volhard een zure caseine-oplossing, bereid naar het voorschrift van Küttner1).

De caseine bereidde ik naar de methode van Hammarsten uit melk, om zeker te zijn van een zuiver praeparaat.

Ik liet 25 gram caseine met 100 cMs water van 50° C. een \ uur in een waterbad van 50° C. staan, vulde daarna met water van 50° C. aan tot 250 cM3. Nu deed ik al schuddend erbij 35 cM3 normaal zoutzuur en water van 50° C. Na het afkoelen werd de hoeveelheid vloeistof met water op 1 L. gebracht. De caseine-oplossing had dus een sterkte van 2.5 % en was een weinig opalesceerend.

Voor elke proef nam ik een aantal kolfjes, waarin 100 cM3 van de oplossing van caseine, x cMs oplossing van pepsine en (50—x) cM3 zoutzuur van dezelfde sterkte, als waarin de pepsine was opgelost, In één der kolfjes werd natuurlijk geen pepsine gebracht, om te bepalen de aciditeit van het filtraat, na het neerslaan van de caseine.

Wilde ik de digestie stop zetten, dan bracht ik in ieder kolfje 50 cM3 eener 20 °/0 natriumsulfaatoplossing en filtreerde de onverteerde caseine af. Van het filtraat bepaalde ik den zuurgraad met 0.097 n. NaOH en phenolphtaleine als indicator. Het verschil in aciditeit tusschen kolfjes met en zonder oplossing van pepsine was de maatstaf voor de digestie.

Immers de caseine neemt, wanneer zij neergeslagen wordt, van het zoutzuur een bepaalde hoeveelheid mede en laat dus hiervan des te meer in het filtraat achter, naarmate meer caseine verteerd is.

In mijn tabellen geef ik het toenemen van het zuurgehalte, uitgedrukt in cM3 0.097 n. NaOH en berekend voor de totale hoeveelheid vloeistof van 200 cM3.

De vertering had plaats bij 37° C.

Proef 1

In kolfje A: 100 cM3 opl. v. caseine + 50 cM8 0.1 % HC1

R- + 49 „ „ + 1 cM8 \v. een0.02%

ft ff O , ff ff ff ff I 11 11 1 1

. ^ I opl. v. var-

Ci 40 -4-2 >

• » » " " ' " " " fkenspepsine

„ „ D: +46 „ „ +4 „ ) in 0.1% HC1

1) Küttner: 1. c.

Sluiten