Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aan gevolgtrekkingen, gemaakt op cijfers uit levensverzekeringsrapporten is weinig waarde toe te kennen. Immers, gaat men uit van de vragen, die in het eerste gedeelte van het keuringsformulier staan opgeteekend, n.1. ,,komen er in uwe familie gevallen voor van kanker, epilepsie, longtering, krankzinnigheid?", dan ervaart elke medicus, die voor levensverzekerings-maatschappijen keurt, hoe zelden deze vraag bevestigend wordt beantwoord. Zoowel onkunde van den candidaat met de lotgevallen van zijne familie, als de behoefte om zich aan den keurenden medicus zoo gezond mogelijk voor te doen, zijn de oorzaken, waardoor deze vraag bijna geregeld ontkennend wordt beantwoord. Heeft men eenmaal toegestaan eene levensverzekeringkeuring te ondergaan, dan wenscht men ook in het bezit van den polis te komen.

Gaat men echter uit van een bij eene levensverzekering-maatschappij overledene en wil men zoo het familiair en hereditair voorkomen van eene ziekte bewijzen, dan zullen de gevonden cijfers ook verre van juist zijn, omdat al mocht men dan ook in sommige gevallen eenig verband ontdekken, dit verband niet duidelijk genoeg naar voren treedt; in andere gevallen in het geheel niet aangetoond, omdat niet alle leden eener familie zich bij de zelfde maatschappij laten verzekeren. Ook zal het meermalen voorkomen, dat slechts één lid der familie verzekerd is en dus de andere leden die toch ook aan dezelfde ziekte kunnen gestorven zijn, buiten het onderzoek vallen.

Men heeft enquêtes gehouden en de voor Ca. in behandeling zijnde patiënten, op een bepaalden dag, door geneeskundigen laten opteekenen. Dergelijke onderzoeken wekken gewoonlijk onvoldoende belangstelling. Conclusies van eenige vergaande beteekenis vallen dan ook niet te trekken. Daarbij komt, dat duidelijke vooringenomenheid met de theorie der hereditaire belasting bij de invulling der lijsten tot uiting kan komen en omgekeerd. Verder heeft eene enquête, in den vorm zooals die in Holland gehouden is, dit tegen, dat alleen de gevallen van Ca. op een bepaalden dag in behandeling zijnde, in aanmerking komen, waardoor die gevallen niet genoteerd worden, welke korten tijd voor den vastgestelden datum zijn overleden. Loopt dan zoo'n enquêtce niet over een geruimen tijd, doch slechts over één dag, dan kunnen deze niet mede tellende gevallen een aanzienlijk cijfer bereiken, waaronder zich wellicht in het oog springende gevallen van familiair of hereditair voorkomen van kanker bevinden.

Meerendeels worden de fouten, welke aan zulk eene enquête kleven, ontdekt, wanneer zij geëindigd is. De ervaring leert dan gewoonlijk eerst in welke richting, of op welke wijze deze of gene vraag had dienen te worden toegelicht, verduidelijkt of uitgebreid.

Zoo kan men zich voorstellen, dat menig geneesheer, die op den enquêtedag een patiënt aan Ca. verloor en daardoor uit de in behandeling zijnde lijders verdween, zich zelf afvroeg: „Hoort nu deze patiënt in de lijst te worden opge-

Sluiten