Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de casuistiek van het carcinoom, doch meer niet. Familie reeksen, die alleen bewijzend zouden zijn, geeft Haberlin niet. Wel moet erkend worden, dat hij voor maagkanker bij de ouders hoogere cijfers vond, maar als wij bij niet meer dan 5 maal bij den vader, 3 maal bij de moeder, 1 maal bij den grootvader op 138 gevallen van Ca. dezelfde ziekte kunnen constateeren, dan is de herediteit dezer toch verre van bewezen, en het familiaire zeker niet, want er wordt slechts een geval opgeteekend, waarin de zusters van den patiënt dezelfde ziekte vertoonen.

Roth, die in zijn „Uber das Carcinoom und dessen Verhaltnisse zur T. b. c. Friederich's Blatter f. Gerichtliche Medic. und Sanit. Polizei. 1889 40 eenige mededeelingen doet over het erfelijk voorkomen van kanker vond in oudere familie stamboomen een percentage groot 64.6% van voorkomen der ziekte in de familie. Geheel vrij van kanker waren er 17 families, 16 met ieder één geval en 32 families met meer dan twee ziektegevallen. Deze 32 families leverden 118 ca. gevallen, die hem bij nadere beschouwing tot de conclusie voeren, dat in meer dan de helft der gevallen de hereditaire dispositie tot uitdrukking komt.

Overerving van vader op zoon bestond in 1 geval; van vader op dochter kwam ' 4 maal voor; van moeder op zoon 6 maal eveneens van moeder op dochter. In 16 gevallen was het carcinoom op de zelfde plaats bij de „Geschwister" gelocaliseerd'

Jn het ,,Fifty second Annal report of the Registral General of Birth, Death, Marriage in Engeland" 1890 wordt over de Ca. gezegd; dat het eene noodzakelijke mathematische consequentie is, dat de tendenz tot het verkrijgen van carcinoom zich onder de bevolking verspreidt, omdat het Ca. het meest na" den huwbaren leeftijd optreedt.

Hij hecht geen waarde, tenminste geen groote aan de familiegeschiedenis van een aanzienlijke hoeveelheid ziektegevallen. Gezien het feit dat, ten tijde zijner publicatie, 1 van de 21 mannen en 1 van de 12 vrouwen, die den leeftijd van 35 jaren bereikt hebben aan Ca. sterven, volgt naar hem volgens de wet der waarschijnlijkheden, dat in doorsnee in 1 van de 3 gevallen of een der ouders, of een der grootouders aan de ziekte gestorven is, ondersteld, dat deze ouder dan 35 jaar geworden zijn. Deze verhouding wordt naar zijne zienswijze nog grooter, wanneer er nog meer ooms en tantes in de berekening worden betrokken.

Verondersteld n.1. een persoon heeft behalve zijn 6 ouders en grootouders nog 2 ooms en 2 tantes, dan is er gelijke kans dat een of meer van deze tien personen van elke sekse de helft gestorven zijn aan maligne nieuwvormingen mits zij na 35 jaren overleden zijn.

Deze berekening lijkt niet juist. Immers, wanneer 1 van de 21 mannen en 1 van de 12 vrouwen kans hebben om kanker te krijgen, dan hebben een man en een vrouw samen 11/84 kans; 6 ouders en grootouders, 2 ooms en 2 tantes samen 10 personen hebben dus 5 X 11/85 kans dus niet „een of meer", doch minder dan één kans.

Sluiten