Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in het algemeen b. v. lip enz. De grondstelling was „Voegt men alle lijders aan kanker uit de families van onze patienten met borstklierkanker bijeen, en groepeert men deze naar de organen, waarin de kanker zetelde, dan mag men verwachten, dat, als geen orgaanerfelijkheid in het spel ware, de onderlinge verhouding der getalsterkte in de groepen zal overeenkomen met die, welke bij de kankersterftestatitiek voor de verschillende organen gevonden wordt". Deze opmerking is volkomen juist, doch maakt m. i. de conclusies van Wassink niet onwaarschijnlijker. Immers het overschot van de morbiditeitcijfers op de mortaliteitcijfers kan alleen de verhoudingen vergrooten en de gevonden getallen hooger maken, indien we in staat waren de eerste in onze berekeningen op te nemen.

Dr. I- van Dam bespreekt eveneens in het Tijdschrift van Geneeskunde 1924 bl. 4 de erfelijkheid van den kanker, en gaat aan de hand van de ervaringen uit de praktijk, de lotgevallen zijner kankerlijders na. Hij ging niet van een vooropgezette meening uit en was zelf getroffen door den uitslag. Aan de hand van verschillende stamboomen komt hij tot de conclusie: „wat men wel mee op de wereld kan brengen, is een zekere voorbeschikking voor kanker, de een heeft vermoedelijk, maar ook niet meer dan dat, meer kans om aan kanker te sterven dan een ander, maar daarom krijgt een voorbeschikte nog geen kanker.

„Ge qui est transmis, een'est pas le cancer lui-même, mais bien la prédisposition du cancer" zegt Ménetrier en J. Bauer blijkt van de zelfde meening, daar hij zich aldus uit: „Eine Erkrankung an Krebs, welcher Art die Ursache auch immer sein mag, ist ohne Disposition des betreffenden Individiums nicht zu erklaren." Deze uitspraken worden gesteund door wat hij in zijn stamboomen zag. Hij geeft er 12, waarvan er 2, die een duidelijk familiair optreden van carcinoom verraden. In No. 1 komen van dezelfde filiale generatie, bestaande uit 36 leden, 14 gevallen van kanker voor en in no. 12 van de 30 leden 10, terwijl in de volgende generaties geen of bijna geen kankergevallen voorkomen. Het is waar dat in de verder gegeven stamboomen het hereditair en familiair optreden van carcinoom niet duidelijk is; toch zijn er gedeelten, waarin een familiaire verhouding niet te ontkennen valt, zooals 24, 25, 26 en 27 uit no. 3, terwijl no. 8a m. i. een voorbeeld is van erfelijk en familiair carcinoom. Ook 82, 83, 84 en 85 zijn er evenzeer. Zeer zeker kunnen zij niet worden aangehaald als getuigen voor het tegendeel. Opmerkelijk is het, dat in de stamboomen van Dr. van Dam de meeste gevallen zich in dezelfde generatie vertoonen.

„Wij hebben dus gezien, dat er families zijn, waarin geen kanker voorkomt en die ook in de volgende geslachten vrij van kanker blijven, indien maar steeds gezond met gezond huwt. Gebeurt dit niet en huwt een gezonde met een zieke of latent zieke, dan kan öf het volgend geslacht gezond blijven, öf er komt een enkele kankerlijder in voor, óf er komen veel kankerlijders.

Sluiten