Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Naast de bufferende werking van het koolzuur-biearbonaatmengsel als gevolg van de zwakke dissociatiegraad van het koolzuur, waarvan boven een analoog mechanisme voor azijnzuur en natriumacetaat werd uiteengezet, geeft dus deze eigenschap (de vluchtigheid) aan het mengsel een effect, dat veel nuttiger is dan de chemische „buffercapaciteit" alleen zou hebben.

Als aan het mengsel een zuur wordt toegevoegd, dan neemt de hoeveelheid bicarbonaat af, en de hoeveelheid vrij H2C03 toe, dus zou de pH iets veranderen. Maar juist door de vluchtigheid van het H2C03 kan de concentratie hiervan nu zoodanig afnemen, dat de verhouding H2C03/NaHC03 weer dezelfde is, als die, welke vóór de toevoeging van zuur bestond, zoodat de pH toch gelijk kan bljjven. Dit is bij een niet vluchtigen buffer volstrekt onmogelijk.

In de tweede plaats noemen wij als buffersysteem de eiwitten, waarvan in hoofdzaak het haemoglobine voor ons van belang is. Eiwitten hebebn bij lichaams-pH zwak zure eigenschappen, zijn dus buffers. Naast de rol die het haemoglobine als eiwit speelt heeft het nog een tweede functie, die het tot een krachtigen buffer maakt. Het haemoglobine wordt bij de ademhaling door zuurstofopname tot oxyhaemoglobine, en het oxyhaemoglobine door zuurstofafgifte tijdens de circulatie gedeeltelijk tot gereduceerd haemoglobine gemaakt. Het oxyhaemoglobine heeft sterker zure eigenschappen dan het gereduceerde haemoglobine, ergo kunnen in het tweede geval zure radicalen gebonden worden, die in het eerste geval weer worden losgelaten. Dus ook hier een regulatie-, een buffervermogen.

En ten slotte hebben wij het mengsel van zuur en alkalisch phosphaat, welk mengsel evenzeer een buffersysteem is, daar het bestaat uit een zwak zuur: het primaire phosphaat en zjjn zout: het secundaire phosphaat. Nu is de concentratie, waarin dit laatste buffermengsel in het bloed voorkomt, zoo gering, dat het daar nagenoeg geen bufferwerking kan uitoefenen. Het belang van dit systeem ligt dan ook in hoofdzaak elders, en wel in het vermogen van de nieren om, al naar de behoefte, urine met meer of minder zure of basische phosphaten uit te scheiden en zoodoende meer of minder basische of zure valenties uit het lichaam te verwijderen. Voegen wij hier terstond aan toe, dat de nier naast deze juist

Sluiten