Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

We zien dus, dat het koolzuur in het bloed voor het allergrootste gedeelte in den vorm van bicarbonaat aan het aanwezige alkali, in het plasma natrium en in de cellen kalium, chemisch gebonden voorkomt; voor een uiterst gering deel, zoo weinig dat het normaliter zelfs gerust verwaarloosd mag worden, als carbonaat, en voorts voor een klein deel als C02 aanwezig is, dus opgelost, dus in physischen toestand. Dit deel is volgens de wet van Henry afhankelijk van de koolzuurspanning in de alveolairlucht, de alveoli vormen immers het oppervlak, waar de koolzuuruitwisseling van het bloed plaatsgrijpt. Het gehalte aan vrij koolzuur in het arterieele bloed wordt dus uitgedrukt in de spanning, die het gas heeft in de ruimte, waar het bloed met het gas in evenwicht is, de alveoli. Deze spanning bedraagt normaliter ± 40 mM. kwikdruk.

In het lichaam is een groote voorraad alkali. Het koolzuur, dat als een der eindproducten van de verbranding in het lichaam ontstaat, slechts voor een klein deel physisch opgelost aanwezig is, bindt zich als bicarbonaat aan al het beschikbare alkali. Zooals we reeds zagen zal een vreemd zuur, hetzij dit het lichaam binnendringt of door een stofwisselingsstoornis in het lichaam ontstaat, of door een uitscheidingsstoornis in het lichaam achterblijft, het bicarbonaat ontleden, het koolzuur verdringen en het daardoor vrijkomende alkali binden. De hoeveelheid koolzuur, die zich kan laten verdringen, is dus omgekeerd een maatstaf voor de hoeveelheid alkali: de alkalireserve, die zich aan de vreemde zuren kan laten binden (v. Slyke en Cuil en). Deze hoeveelheid is in normaal veneus bloedplasma 52 vol.%—65 vol.%, is in arterieel bloedplasma 5 vol.% minder, en is bij jonge kinderen gewoonlijk wat lager dan bij volwassenen. (Deze volumen-procenten bedoelen dus bicarbonaat als gasvormig C2 uitgedrukt.)

BHCO

Wanneer we bedenken, dat het quotiënt -^>,7^-^ = 20, dan

H2CO3

kunnen we de alkalireserve dus eenvoudig bepalen door aan bloed een hoeveelheid zuur toe te voegen en de hoeveelheid vrijgekomen koolzuur te meten; dit C02 is dus afkomstig èn van het bicarbonaat èn van het vrije koolzuur, maar het bicarbonaat zal ± 95 % van deze totale hoeveelheid koolzuur geleverd hebben.

Sluiten