Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

L o e w y, die immers vond, dat wanneer hij een hart doorstroomde met een vloeistof, die eerst een ander hart had doorstroomd, waarvan de n. vagus geprikkeld was, ook bij het tweede hart een vagus-werking te voorschijn geroepen kon worden. Aangezien dit toch niet onder alle omstandigheden schijnt te gebeuren, wordt Loewy's vagusstof nog niet algemeen als zoodanig geaccepteerd (Hans Steidle). Een werking alsof de n. sympathicus geprikkeld wordt ontstaat wanneer adrenaline, subcutaan of intraveneus, wordt ingespoten. Evenzoo ontstaat een werking alsof de n. vagus geprikkeld wordt wanneer pilocarpine, resp. physostigmine wordt ingespoten. Zij nemen aan, dat deze pharmaca op de betrokken zenuwuiteinden zelf inwerken. Tegenover het pilocarpine, dat den n. vagus prikkelt, staat het atropine, dat dit systeem remt, tegenover het adrenaline staat het choline, dat de sympathicuswerking remt. Verder was het hun opgevallen, dat een aantal menschen, die bepaalde klinische symptomen vertoonen, bij uitstek gevoelig zijn voor die stoffen, die op den n. vagus inwerken, zoowel in prikkelenden als in remmenden zin, dus zoowel voor pilocarpine als voor atropine. Tegelijkertijd reageeren deze menschen weinig of niet op adrenaline. Daar tegenover stonden velen die geheel andere klinische symptomen vertoonden, die bijzonder sterk op adrenaline reageerden, maar juist ongevoelig waren voor pilocarpine of atropine.

Ter verklaring van dit onderscheid bestaan twee mogelijkheden: of wel het sympathische systeem van de eene groep (en het vagus systeem van de andere groep) is gemakkelijker prikkelbaar, of wel in het sympathische systeem van de eene groep (en het vagus systeem van de andere groep) heerscht een verhoogde tonus, zoodat reeds een kleine extra-prikkel een groote uitwerking geeft.

Hoewel Eppinger en Hess dus aanvankelijk wel degelijk een scherp onderscheid tusschen de verhoogde prikkelbaarheid en de verhoogde tonus van een der beide deelen van het vegetatieve zenuwstelsel maken, halen zij later deze beide begrippen geheel door elkaar en spreken uitsluitend van „vagotonie", daar waar overgevoeligheid voor pilocarpine en atropine bestaat en van „sympathicotonie" als een overgevoeligheid voor adrenaline aanwezig is.

Tal van onderzoekers sloten zich bjj de opvattingen van

Sluiten