Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

via den n. vagus gaat, een cholinederivaat vrij maakt, ongeacht den aard van den prikkel. De vrijkomende adrenaline, resp. cholinederivaat, werkt vervolgens direct op het gladde spierweefsel zelf in, en het effect hangt slechts af van de gevoeligheid van dit bepaalde spierweefsel voor het betrokken pharmacon. Aangezien nu een pharmacon in hooger concentratie inwerkend op een daarvoor weinig gevoelig orgaan denzelfden invloed kan hebben als een pharmacon in lager concentratie inwerkend op een daarvoor gevoeliger orgaan en we reeds eerder op het, soms tegengestelde, effect van verschillende doseeringen van eenzelfde pharmacon hebben gewezen, kunnen op deze manier misschien een aantal verschijnselen van uit één gezichtspunt bekeken worden. De hypothese staat en valt dus met de aanname dat door sympathicuswerking adrenaline en door vaguswerking een choline-derivaat vrijkomt, hetgeen echter nog niet afdoende bewezen is.

Het innige verband tusschen effectorgaan-zenuw- en hormonwerking, tusschen „peripherie" en „centrum" is misschien wel het scherpst geformuleerd door F. Kraus en S. G. Zondek in hun leer van het „vegetatieve systeem".

In het begrip „vegetatief systeem" worden tot één functioneel? eenheid samengevat: de lichaamscel, opgebouwd uit colloiden en elektrolyten, de vegetatieve zenuw, die met haar periphere uitloopertjes in deze celstructuur vertakt is en proximaal in de gangliencel begint. De elektrolyten in de cel, de „binnenelektrolyten", zyn in evenwicht met de elektrolyten van de weefselsappen, die de cel omspoelen „de buitenelektrolyten". Wordt dit evenwicht verstoord, dan ontstaat een actiestroom en een prikkel van de bjjbehoorende zenuw is het gevolg. Omgekeerd veroorzaakt een impuls van de zenuw een veranderde elektrolytenverhouding in de cel, die weer tot een evenwichtsverandering van de buitenelektrolyten leidt. Kraus en Zondek konden nu aantoonen, dat hier vaak als het ware een omkeerbare reactie plaats grijpt. Dat als een bepaalde zenuwprikkel, een bepaalde elektrolytenverhouding binnen en buiten de cel geeft, omgekeerd dezelfde zenuwwerking optreedt wanneer primair de elektrolytenverhouding buiten en binnen de cel aldus gemaakt wordt. Zoo kwamen zy er toe bepaalde ionenwerkingen met bepaalde zenuwwerkingen te identificeeren en wel in dien zin, dat verhooging

Sluiten