Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van verschillende kanten had men er op gewezen, dat na kaliumtoevoer gemakkelijker een vaguswerking, na calciumtoevoer gemakkelijker een sympathicuswerking in een bepaald orgaan te voorschijn geroepen werd. Men had zich dit mechanisme zoo verklaard dat K' den vagus en Ca" den sympathicus zou prikkelen, maar by dezen gang van zaken bleef onverklaard, dat K'-toevoer dezelfde uitwerking had, wanneer eerst de n. vagus met atropine was uitgeschakeld. Daarom draaide Zondek de theorie precies om en veronderstelde, dat de n. vagus de relatieve kaliumconcentratie verhoogde en dit de oorzaak was van het bepaalde effect. Wanneer nu de K'-ionenconcentratie op de eene of andere manier verhoogd wordt, dan blijft dus het effect altijd hetzelfde, ook al is de n. vagus door atropine uitgeschakeld. Met experimenten trachtte hij de juistheid van zijn inzicht te bewijzen. Het zou mij te ver voeren hier dieper op in te gaan. Genoeg zij, dat tal van latere onderzoekers im Grossen und Ganzen met Zondek's opvattingen in overeenstemming waren.

Zoo noem ik B i 11 i g h e i m e r, die de veranderingen van den kalkspiegel in het bloed onderzocht na adrenaline-, pilocarpineen atropine-injecties. Na adrenaline vond hij een daling van den kalkspiegel. Ter zelfder tgd onderzochten Dresel en Katz in dit verband den kaliumspiegel na adrenaline, pilocarpine en choline (dit laatste per os) en vonden ook steeds een daling. Deze daling hield echter na adrenaline eerder op dan na pilocarpine en choline. In verband met wat Billigheimer had gevonden concludeerden zij, dat vegetatieve pharmaca inderdaad in den zin van Z o n d e k het K"- en het Ca'-gehalte van het bloed beïnvloeden, maar dat de overeenkomstige daling, ondanks de tegenovergestelde werking dier pharmaca, er op zou wijzen, dat steeds de werking van het eene systeem een reactie van het andere systeem ten gevolge heeft, waardoor de ionen onder alle omstandigheden uit het bloed naar de cellen versleept worden, alwaar hun tegenwoordigheid vereischt wordt. Van meer recenten datum is het onderzoek van T s u d a, die vaststelde dat na atropine-injectie de K-spiegel stijgt en de Ca-spiegel daalt, na pilocarpine net het omgekeerde plaats vindt en na adrenaline het Ca-gehalte daalt, terwijl het K-gehalte, al naar gelang van de doseering der adrenaline, verandert.

Sluiten