Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beschouwen we hier voorts het bloedvaatstelsel als peripherie, als effectorgaan, dan volgt daaruit als vanzelf, dat eenerzij ds een evenwichtsverstoring van het centrum een reactie van het vaatstelsel ten gevolge heeft en een verandering van de leucocytenformule kan veroorzaken (waarover zoo aanstonds meer). Anderzijds volgt, dat een verandering van de physisch-chemische samenstelling van het bloed tot een overeenkomstig resultaat kan leiden. Een en ander behoeft wel eenige toelichting.

In de eerste plaats weten we, dat een tumor, een bloeding of vaatspasmen van de hersenen, wanneer zij in de buurt van de vegetatieve centra, in de buurt van den derden ventrikel, tuber cinereum en striatum, gelocaliseerd zijn, een leucocytose met linksverschuiving kunnen geven. Zoo kennen we dit verschijnsel na het inbrengen van lucht in de ventrikels (H o f f) en van lipiodol voor diagnostische doeleinden (eigen waarneming). Ook herinneren we aan de piqure van Rosenow in het striatum, waardoor een leucocytose optreedt.

Van belang is hier zeker, dat Hoff en von Linhardt aantoonden, dat bjj konijnen de leucocytose, die regelmatig na injecties van bacterie-eiwitten optrad, uitbleef wanneer het halsruggemerg geheel was doorgesneden, terwijl zij wel aanwezig bleef, wanneer het halsruggemerg slechts ten deele doorgesneden was. Dit is dus wel een krachtige aanwijzing voor de rol, die het centrum speelt. Merkwaardig was hun vondst dat, ondanks doorsnijding van het halsruggemerg, de leucocytose wel bleef bestaan, wanneer zij door experimenteele acidosis was teweeg gebracht. Een bewijs dus, hoe gecompliceerd het probleem is.

In de tweede plaats de invloed van de vegetatieve zenuw op het vat, of liever den vaatwand. We weten, dat onder bepaalde omstandigheden een prikkel van een vegetatieve zenuw tot contractie van het vat kan leiden, een andermaal tot verwijding. Ik druk mij hier met opzet zoo vaag uit, omdat dit probleem uiterst gecompliceerd en nog geenszins volledig opgelost is (Glaser, Atzler, Krogh).

In de derde plaats, en het is zeer in het bijzonder E. F. MülIer, die op het belang van dezen factor wijst, zijn er experimenten, waaruit blijkt, dat de zuurgraad van het bloed van invloed is op de wijdte van het vat. Zoo hebben Atzler en

a

Sluiten