Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2 proeven van deze groep van maagplastieken, waarbij een deel van den maagwand door een ongesteelden, dus van zijn mesenterium beroofden, dunnedarmlap vervangen werd, verrichtte ik om de vraag op te lossen, of eene vrije plastiek, dus m. a. w. eene transplantatie met een darmlap, mogelijk is.

Ullmann en Reerink staan ten dezen opzichte lijnrecht tegenover elkaar, de eerste zegt van wèl, de tweede van niet. Mijne proeven, waarbij de honden den 2den dag na de operatie succombeerden aan eene perforatieperitonitis tengevolge van necrose en gangraen der getransplanteerde darmlappen stellen dus Reerink in het gelijk, zooals a priori te verwachten was. Dat Ullmann tot eene tegenovergestelde meening kwam, moet wel hierin gezocht worden^ dat hij te kleine lapjes gebruikte. Uit zijne mededeelingen, waarin hij zegt, dat het net steeds zeer innig vergroeid was met die lapjes en de maagslijmvliesranden elkaar tot op enkele millimeters genaderd waren, blijkt wel zonder meer duidelijk, dat de lapjes necrotisch geworden waren en het alleen aan het altruïstische net te danken was, dat geen perforatieperitonitis opgetreden was.

Wat de physiologische functies der geïmplanteerde darmlappen betreft, hieromtrent kan ik zoo goed als niets zeggen. Op den anatomischen bouw afgaande, moeten ze wel normaal geweest zijn. Alleen is het zoo goed als zeker, dat de richting der peristaltiek in de antisoperistaltisch tusschengeschakelde colonlis dezelfde gebleven was als vroeger, dus nu tegengesteld was aan die van de beide maagstompen.

Groep III. „Gegenschaltung". Van de 4 honden, bij wie ik eene „Gegenschaltung" van eene darmlis verrichtte, is er één aan perforatieperitonitis gestorven. Daarnaast heb ik echter bij mijne partieele continuiteitsplastieken van de maag een geval, dat ook een „Gegenschaltung" is, omdat de darmlis daar antisoperistaltisch tusschen de beide maagstompen ingeschakeld is, zoodat ik over 4 gevallen beschik. Daarvan is er één in de maag, één in het bovenste deel van het jejunum, één in het onderste deel van het ileum en één in het colon adscendens en -transversum aangelegd.

De lste is na 51, de 2de na 64 en de 3de na 132 dagen gestorven; de 4de is nog in leven en sinds de operatie (3 September 1910) zijn reeds ± 170 dagen verloopen.

Bij de eerste 3 is het verloop hetzelfde geweest. Oogenschijnlijk

Sluiten