Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK V.

Aetiologie der gele koorts.

Hoewel men reeds een min of meer vage voorstelling had van een contagium der gele koorts, in den tijd van de contagionisten en de non-contagionisten, kwamen verschillende onderzoekers eerst in den bacteriologischen tijd tot een scherper definitie van dit contagium in den vorm van allerlei micro-organismen, die voor het oorzakelijke agens van de gele koorts werden gehouden.

F i n 1 a y beschrijft reeds in 1887 experimenten waaruit hij de voorloopige conclusie trekt, dat de micrococcus te« tragenus febris flavae het pathogene micro-organisme is van de gele koorts. Hij deed n.1. proeven met den kop en den snuit van een besmette Aëdes aegypti, die hij in een reageerbuis met bouillon deed. In een aantal van deze proeven kwam hij tot het resultaat, dat de kop en de snuit van den muskiet bacteriëndoodende eigenschappen hebben voor gewone bacteriën, behalve voor een bepaalde soort coccus, dien hij daarom uitriep tot de specifieke oorzaak van de gele koorts. In latere publicaties neemt hij deze uitkomsten als vaststaand aan. Nog tot 1899 beschouwde Finlay de isoleering van dezen coccus uit voedingsbodems, waarin de kop en snuit van besmette muskieten waren gebracht, als een van de belangrijkste resultaten van zijn experimenten met gele-koorts-muskieten. (C a r r o 1).

De vondst van den bacillus icteroïdes door S a n a r e 11 i « in 1897 was aanleiding tot de komst van de Amerikaansche commissie in Havana.

Sluiten