Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

troffen. Microscopisch is de tumor tegenover de bijnier niet afgekapseld, de celkernen zijn ongeveer 2xzoo groot als een lymphocyt in middellijn, het plasma is matig ontwikkeld, lVs X de diameter van de kern, hier en daar sterk vervet. Een gedeelte van het vet is dubbelbrekend. Het microscopisch beeld doet op enkele plaatsen sterk aan de zona fasciculata denken, meestal is het meer soliede. Er is sterke neiging tot bloeding en necrose. Ook hier kunnen wij niet anders dan een kwaadaardig gezwel van de bijnierschors aannemen. Bij het microscopiseeren van de lever worden recente miliaire tuberkels gevonden.

LITERATUUR.

Bij de beoordeeling van beide boven-beschreven gevallen van carcinoma, heeft de argumentatie uit twee gedeelten bestaan: le. dat men met een kwaadaardigen bijniertumor te inaken heeft, blijkt uit de macroscopische verhoudingen; 2e. het microscopisch beeld geeft aanleiding den bijniertumor als schorsgezwel op te vatten. Geval B. werd bij de sectie voor een rondcellensarcoom gehouden en eerst bij een meer uitgebreid onderzoek, werd de gelijkenis met bijnierschors opgemerkt. Men kan a priori de mogelijkheid niet ontkennen, dat er bijnierschorscarcinomen zijn, waar men tevergeefs naar deze gelijkenis zal zoeken.

Aan den anderen kant is in de beide beschreven gevallen de bouw van de tumoren niet zóó karakteristiek, dat men b.v. op grond van het microscopisch beeld van de metastasen, zonder aarzeling de diagnose: bijniercarcinoom zou kunnen maken. Dit in tegenstelling met de Qrawitztumoren van de nier, die vaak zoo kenmerkende metastasen maken. Terwijl men dus aan den micrc scopischen bouw in het algemeen gemakkelijk een bijniertumor als carcinoom kan herkennen, zal men daarin slechts zelden een steun vinden, wanneer de macroscopische verhoudingen in den steek laten. Met andere woorden: in twijfelachtige gevallen, waar het erom gaat, uit te maken, of een gezwel van< de bijnier uitgaat, of niet, zal men van het microscopisch beeld slechts met groote voorzichtigheid gebruik mogen maken, om een bijniercarcinoom te diagnostiseeren.

Men moet zich dus houden aan de kwaadaardige gezwellen, die in de bijnierschors zelf hun oorsprong vinden. De tumor,

Sluiten