Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ontstaan. Er wordt veel meer bijnierschors aangetroffen langs den rand van den- tumor dan in een normale bijnier aanwezig is. Nergens is deze gchors platgedrukt en het is dus aannemelijk, dat deze tumor in een vroeg ontwikkelingsstadium van de bijnier reeds bestaan heeft. De kapsel is nogal dik en bevat op verschillende plaatsen glad spierweefsel.

Zooals macroscopisch reeds vermoed werd, hebben wij te maken met een lipoma: vetcellen vormen het hoofdbestanddeel van den tumor. Zij doen zich geheel voor als gewone vetcellen elders in het lichaam: men ziet groote vacuolen met een smallen rand, waarin de kernen, vaak fraaie blaasjeskernen, zijn gelegen. Met Soedan kleurt zich het vet in deze vacuolen fraai; het blijkt dubbelbrekende naaldvormige kristallen te bevatten. Deze vetcellen grenzen grootendeels direct aan de omgevende bijnierschors, gedeeltelijk zijn zij door een band van bindweefsel en glad spierweefsel er van gescheiden. Hier en daar in het lipoom bevindt zich verder een klein groepje schorscellen.

Er zijn een matig aantal bloedvaatjes.

Tusschen deze vetcellen bevindt zich op vele plaatsen vrij bloed, ook wel een fijn fibrinenet, hier en daar ook bindweefsel. In het vrije bloed, tusschen de vetcellen en in het fibrinenet zijn verspreid en in wisselende dichtheid allerlei cellen gelegen. Overwegend in aantal zijn phagocyteerende zwerfcellen. Zij hebben een ronde donkere kern, zoo groot als een lymphocytenkern en een groot, rose protoplasma. Vaak bevatten zij vacuolen en korrels bruin pigment, dat ijzerreactie geeft. Ook in het bindweefsel treft men dit pigment aan. Verder vindt men lymphocyteii en plasmacellen, minder vaak leucocyten tusschen de vetcellen gelegen. Plaatselijk tot formeele infiltraten samengedrongen, meestal dicht onder de bijnierschors zijn, tenslotte polymorphe cellen, die men eigenlijk alleen metbeenmergelementen kan vergelijken. Veel van deze cellen hebben een lichte kern met ongeveer 2—3 maal de afmetingen van een lymphocytenkern en een vaalgrijs tot bleekrose protoplasma, wellicht zijn dit myelocyten. Daartusschen bevinden zich enkele veel grootere cellen met een of meer grillige kernen, die men wel megakaryocyten moet noemen. Tenslotte ziet men jonge leucocyten, eosinophiele cellen en normoblasten.

Enkele van de bovenbeschreven cellen bevinden zich ook

Sluiten