Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

urine te produceeren, die in verhouding een grootere hoeveelheid dier opgeloste stoffen bevat dan het bloed, dat de nier doorstroomt. Het bloed, evenals de andere lichaamsvochten, bevat ongeveer evenveel keukenzout als de doorspoelde weefsels kunnen verdragen. Deze concentratie is constant en haar waarde is gelijk aan de osmotische spanningen der weefselvloeistoffen. Is de concentratie te groot, dan lijden daardoor de cellen; is ze te klein, dan is haar ondergang even zoo zeker.

Komt het bloed in de niervaten om te juister plaatse tot urine te worden verwerkt, dan weet de nier, door haar functie als levend orgaan, betrekkelijk meer zout uit te scheiden dan de bovengenoemde concentratie, die men de physiologische concentratie noemt, bedraagt. Een normale nier zal dan ook steeds urine met een betrekkelijk hooger gehalte aan keukenzout opleveren.

Bij sommige soorten van nierziekten is deze werking echter gestoord en kan zij zelfs onvoldoende worden. Er blijft dan zout in het lichaam achter. Dit alles lijkt eenvoudig, doch is in zijn dieper wezen nog niet opgehelderd. Want men stelle zich niet voor, dat het nietuitgescheiden zout in of vlak bij de nier wordt opgestapeld; het is evenmin juist, dat het bloed, dat zijn zout niet kan afstaan nu een sterkere concentratie aan zout bevat. Het zout is ergens in de weefsels, voornamelijk in de mazen van het onderhuidsche weefsel gedeponeerd. Ook daar ligt het niet in substantie, doch het bevindt zich in een vochtophooping (oedeem), welke steeds grooter wordt, ten einde zooveel mogelijk de physiologische verdunning in sterkte nabij te komen. Zoo ziet men dus, dat het zout-residu een waterophooping ten gevolge heeft. In dezen toestand heeft de lijder dorst en ging nu ook niet de functie om water af te scheiden voor de nier te loor, dan zou zijn vochtopneming tot zoutafscheiding naar buiten leiden.

Eenvoudiger is, althans in haar algemeen begrip, het vermogen der nier om stikstof-producten uit te scheiden. In hoofdzaak is dit product het ureum. Is de nier dusdanig ziek, dat de uitscheiding van ureum — dat voor het lichaam zonder nut is —* onvoldoende geschiedt, dan heeft er een gelijkmatige, over het geheele lichaam verdeelde ophooping van ureum plaats,

Sluiten