Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

spectra van de bloedkleurstof-derivaten, waarover ik thans spreek, nooit voorbij X 650 komen.

Het komt echter niet steeds voor dat haematine kan worden aangetoond, waarbij men dan erop verdacht moet wezen, dat de bloedkleurstof nog verder afgebroken is. Ten einde dit te kunnen aantoonen voegt men aan het extract toe ongeveer vijf druppels pyridine en vervolgens twee a drie druppels zwavelammonium. Dit zwavelammonium moet niet oud zijn, geel en verzadigd. Oud zwavelammonium is voor de reactie niet bruikbaar.

Door de reductie die dan plaats heeft, ontstaat het pyridine-haemochromogeen, dat, zooals ik reeds boven zeide, geheel hetzelfde spectrum heeft als het haemochromogeen, maar sterker. Men moet direct na toevoeging van het pyridine en zwavelammonium spectroscopisch onderzoeken, daar anders al gauw oxydatie optreedt en het gevormde haemochromogeen opnieuw omgezet wordt in haematine. Wanneer men dus de vloeistof spectroscopisch beziet, bemerkt men dat de voor haematine karakteristieke band in het rood verdwenen is. In de plaats daarvan is een ander spectrum ontstaan met de volgende kenmerkende eigenschappen: een breede, diepzwarte band in het groen, juist tegen het geel van X 580—X 560;

een zwakkere, smallere streep van X 540—X 535. Dit haemochromogeen spectrum ziet men optreden zoowel wanneer de kleur-reacties positief zijn, als wanneer ze negatief zijn,

Het pyridine-haemochromogeen bevat nog ijzer en kan niet gevormd worden uit ijzervrije verbindingen. Door

Sluiten